Boekgegevens
Titel: De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Auteur: Blaupot ten Cate, Steven
Uitgave: Groningen: K. de Waard, 1862
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 B 46\1\3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203709
Onderwerp: Onderwijs: onderwijsbeleid op macroniveau: overige
Trefwoord: Hofstede de Groot, P., Onderwijsinspectie, Juridische aspecten, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Vorige scan Volgende scanScanned page
54
leiding tot alle Christelijke deugden , zich moet onthouden
iets tt; leeren, te doen of toe te laten, strijdig met den
eerbied, verschiddigd aan de godsdienstige begrippen van
andersdenkenden; wanneer hij aan de kinderen dien eerbied
moet inprenten; wanneer hij hen moet opwekken tot on-
derlinge liefde en verdraagzaamheid; wanneer daarbij in het
oog wordt gehouden, dat de voorschriften gesteld zijn on-
der de hoede van het vierdubbele schooltoezigt, dat deze
wet instelt, onder de hoede van bepalingen, die discipli-
naire straffen bedreigen tegen pligtverzaking van den kant
der onderwijzers; wanneer ik verder in aainnerking neem,
dat in dit artikel het godsdienstig en het maatschappelijk
onderwijs zeer zorgvuldig onderscheiden zijn, — dan moet
ik erkennen, d<it de wet al die waarborgen geeft, die zij
bij mogelijkheid verleenen kan.
„ Men vreest de mogelijkheid van misbruiken, en te
regt. Maar zouden die misbruiken niet te vreezen zijn ,
zouden er meer afdoende waarborgen daartegen kunnen ge-
geven worden, wainieer de wet op eene andere wijze het
doel van het schoolonderwijs omschreef? Door ons geacht
medelid uit Nijmegen (den heer bojimek van poldeesveldt)
was een voorstel gedaan, om deze omschrijving door eene
andere te vervangen. En wat is het gevolg geweest? De
discussie heeft bewezen, dat die omschrijving geene meer-
äere waarborgen opleverde tegen misbruik dan die der Re-
gering; en de geachte voorsteller heeft zich genoopt gevon-
den zijn amendement in te trekken.
„ Mijnheer de Voorzitter! ik heb groote sympathie voor
het ontwerp van 1856; maar ik moet eerlijk erkennen,
dat de karakterisering in dat ontwerp van het schoolonder-
wijs, als onder andere moetende strekken tot bevordering
van godsdienst, veel meer ruimte liet voor verkeerde op-
vatting, dan het kenmerk in deze wet begrepen. En wat
zou het zijn, wanneer de wet zich eens onthield van alle
omschrijving van het doel van het onderwijs? Zou men
ook dan gewaarborgd zijn tegen misbruik ? Mijnheer de
Voorzitter, wat niet in de wet zou geschreveii staan, zou
geschreven staan in de harten en hoofden van honderden
onderwijzers; de onden«ijzer zou vi-ij zijn aan het ondenvijs
die rigting te geven, die met zijne begrippen overeenkwam.
En er is meer. Wilde men, door het stilzwijgen der wet,
de klip ontzeilen, men zou het doodvonnis strijken over
de gemengde school.