Boekgegevens
Titel: De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Auteur: Blaupot ten Cate, Steven
Uitgave: Groningen: K. de Waard, 1862
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 B 46\1\3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203709
Onderwerp: Onderwijs: onderwijsbeleid op macroniveau: overige
Trefwoord: Hofstede de Groot, P., Onderwijsinspectie, Juridische aspecten, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Vorige scan Volgende scanScanned page
50
nemen een selioolonderwijs, dat dienstbaar wordt gemaakt
onder andere tot de opleiding tot Christelijke dev.f/den ?
Die vraag beantwoord ik bevestigend. Ja, ik kan het
aannemen, maar, gehjk ik reeds gezegd heb, zoo en niet
anders als dat onderwijs , volgens de woorden der twee
eerste alinea's van dit artikel, zijn zal. En dan moet ik
al dadelijk mijne oordeelvelling losmaken van al die bena-
mingen , waarmede zoo in als buiten de Kamer de zaak
anders is uitgedrukt, dan de wet medebrengt. Dan zie ik
niet in het artikel geschreven, ChristeUjken zin, Christelijk
beginsel, Christelijk element, ChristeUjken geest. Christelijk
onderwijs, maar dan lees ik daar alleen en niet anders dan
opleiding tot Christelijke ijeuguex. Zoolang nu deugd zal
zijn het object van zedeleer, zoolang zal topleiding tot Chris-
telijke deugden zijn opleiding in die zedeleer, welke het
Christendom verkondigt, en die in het Christendom is ge-
worteld. Welnu, die ojjleidnig mag vrij een ieder genie-
ten , welke godsdienst hij ook belijde. Een onzer geachte
medeleden, wiens afwezigheid bij deze beraadslagingen zeker
door zeer velen zal betreurd worden, de Heer schimmei-
PENNiNCK VAN DEK üiJE, zeide bij eene andere gelegenheid:
,, Zedekundig, geloof en hoop ik, dat er geen lid in deze
Kamer is, ook niet een Israëliet, of hij is zedekundig
Christen." Die woorden onderschrijf ik met volle gerust-
heid ; want ik zelf heb het bij eene vroegere gelegenheid
verklaard. Bij de discussiën over het adres van antwoord
op de troonrede, waarmede deze zitting is geopend, heb
ik de volgende woorden gesproken: „ Geen niet-Christen,
hoe gehecht ook aan zijn geloof, tenzij hij door dweepzucht
verblind mogt wezen, zal ontkennen, dat die Christelijke
en maatschappelijke deugden (ik wees op hare vermelding
in de bestaande schoolwetgeving) de beginselen zijn, waar-
door de levenswandel van den mensch, tot welke godsdienst
hij moge behooren, moet worden beheerscht." Het is de-
zelfde hoofdgedachte, die ik meen terug te vinden in de
rede van ons geacht medelid uit Deventer (de Heer ïhor-
becke). Het geldt de opleiding tot deugd, en deugd heeft
betrekking tot den levenswandel.
„De overtuiging, welke ik uitsprak bij de beraadslaging
over het adres van antwoord staat bij mij \'ast. Met die
overtuiging mag ik als bruikbaar ook voor Israëliten be-
schouwen een schoolonderwijs, dat dienstbaar wordt gemaakt