Boekgegevens
Titel: De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Auteur: Blaupot ten Cate, Steven
Uitgave: Groningen: K. de Waard, 1862
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 B 46\1\3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203709
Onderwerp: Onderwijs: onderwijsbeleid op macroniveau: overige
Trefwoord: Hofstede de Groot, P., Onderwijsinspectie, Juridische aspecten, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Vorige scan Volgende scanScanned page
'ly
gebied van het Cliristelijk leerbegrip behoort, omdat hij zich
daardoor reeds eene kennisneming zou veroorloven van het-
geen van zijne kennisneming is uitgesloten. De Staat kan
en zal niet meer doen dan zorgen dat niemands godsdien-
stige denkwijze op de gemengde school door eenig leerbe-
grip gekrenkt of gekwetst worde. En nu vraag ik ,
of bij dit stelsel, waarbij geen sprake is van ChrU-
fendom maar van opleiding tot Christelijke deugden , of
daarbij sprake kan zijn van leugen, bedrog, dubbelzin-
nigheid ? Er is niet beweerd en wordt niet voorgespiegeld
aan de ouders, dat hunne kinderen zullen worden opgevoed
en ingeleid in het Christendom of in de godsdienst. Zij
kunnen zich dus niet beklagen over dubbelzinnigheid of be-
drog, wanneer hetgeen hun ,niet is toegezegd, hun niet
wordt geschonken. Er is geene sprake van onderwijs in de
godsdienst, in het Christendom, in het Christelijk leerbe-^
grip op de gemengde school, want dit alles blijft buiten
haar gebied als staatsschool. Alleen is ook dit de eisch
van die school, dat het zaad, elders geworpen en tot eene
])lant opgeschoten, derwijze in de schoof kunne worden
overgebragt, dat daar de groei van die teêre jilant niet
door de verschroeijende hitte van school-zonden en allerlei
ondeugden in haren wasdom worde belemmerd; dat niet op
de school ongehoorzaamlieid en leugen en zoo menigerlei
zedelijke krankheid mogen wordeTi gekweekt en toegelaten ,
die den voorspoedigen groei van die plant zouden in den
weg staan. Dat is het eenige, en dat is het opvoedende
Christelijke element dat men op de school moet hebben en
dat daar niet gemist kan worden."
Bij het door den heer de groot aangehaalde uit de rede
van den heer godefroy kan nog dit worden gevoegd :
„ Het behoud dier bepaling (opleiding tot alle Christelijke
deugden), het is mijne innige overtuiging, acht ik voor de
mogelijkheid van het tot stand brengen eélier regeling van
liet lager onderwijs onmisbaar; en daarom ben ik bereid,
tot dat bevTedigingsmiddel mede te werken. Maar ik zou
daartoe niet kunnen besluiten, ik zou dat bevredigings-
niiddel ver van mij afwerpen, moest ik het aannemen ten
koste van de gewetensvrijheid mijner geloofsgenooten. En
nu rrnna ik ; kan ik nis brnikbnar ook voor hraclitm aan-
4