Boekgegevens
Titel: De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Auteur: Blaupot ten Cate, Steven
Uitgave: Groningen: K. de Waard, 1862
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 B 46\1\3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203709
Onderwerp: Onderwijs: onderwijsbeleid op macroniveau: overige
Trefwoord: Hofstede de Groot, P., Onderwijsinspectie, Juridische aspecten, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Vorige scan Volgende scanScanned page
4.S
dat denkbeeld, dat zeer ruim is op zich zelf, wordt door
de Grondwet en door het derde lid van art. '12 geëcarteerd
al wat het te ruim zoude maken. Door die beperking kan
en mag, zoo als de spreker uit Deventer zeer juist gezegd
heeft, opleiding tot Christelijke deugden op de gemengde
school in geen anderen zin worden opgevat, dan dat alle
leerstellige en dogmatische bestanddeelen, alles met één
woord wat tot het begrip des Christendoms, van zijne waar-
heden, van zijne feiten, van zijne geschiedenis behoort,
van de gemengde school verwijderd moet blijven. Ik meen,
dat die verklaring juist en dat zij duidelijk is.
„ Dat het alzoo zij , vordert de Grondwet en dit vordert
de regtvaardigheid. Allen, Protestanten, Roomscli-Katho-
lijken en Israëliten kunnen met regt vorderen, dat aan
hunne kinderen niets worde medegedeeld, dat kwetsend,
dat strijdig is met ieders godsdienstige overtuigingen, en
daartoe behoort alles, wat tot het begrip van het Christen-
dom, van het begin tot het einde toe, behoort. Daarmede
wordt geenszins, en ik moet daarop insteren, de onver-
schilligheid van dat begrip beweerd. Dat is een verwijt,
dat gedurig wordt tegengeworpen en dat niet juist is. In-
tegendeel, ^lijnheer de President, ook ik ben overtuigd ,
dat er een zaaijer moet uitgaan, om het woord Gods te
te zaaijen in verschillende gronden, opdat, Jiaar mate van
de gesteldheid dier gronden , dit zaad kuime wortel vatten
en vrucht dragen, en dat dit zaad alleen dààr opschiet,
waar het woord verslaan wordt. Ik druk daarop, omdat
deze uitdrukking juist voorkomt in de gelijkenis, waarop ik
doel. Het is er dus verre af, dat ik de onverschilligheid
van het Christelijk leerbegrip zou willen beweren; maar
het werk van dat zaaijen, of — om eene uitdrukking
te bezigen die reeds dikwijls in deze Kamer is ge-
bruikt, en te regt , omdat zij zeer juist is — het
leggen van dien wortel behoort niet tot het gebied, tot
de bevoegdlieid van den Steaf en daarom ook niet tot het
gebied, tot de bevoegdheid van de staatssciiool. Kwijt zich
de Kerk of hét huisgezin niet goed van de \erpligting om
het zaad te zaaijen in de harten der kinderen , kmiucn de
Kerken dit niet doen , belet door materiële of andere om-
standigheden, dan is het niet de roeping en het l>ehoort
niet tot de bevoegdheid van den Staat hierin te voorzien.
De Staat kan niet eens ijeslissen wat al dan niet tot het