Boekgegevens
Titel: De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Auteur: Blaupot ten Cate, Steven
Uitgave: Groningen: K. de Waard, 1862
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 B 46\1\3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203709
Onderwerp: Onderwijs: onderwijsbeleid op macroniveau: overige
Trefwoord: Hofstede de Groot, P., Onderwijsinspectie, Juridische aspecten, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Vorige scan Volgende scanScanned page
4fi
„Vooreerst de bepaling: Christelijke deugden, niet, zoo-
als welligt de geachte spreker uit Leyden liever zou lezen,
hoofdwaarheden van het Christendom. Deugd heeft betrek-
king tot de rigting van den wil op liet goede; tot de han-
deling, tot den levenswandel.
„ In de tweede plaats: het hoofdvoorschrift, waarop het
hier voornamelijk aankomt, dat de onderwijzer zich ont-
houde van al hetgeen iemands godsdienstige begrippen zou
kunnen krenken. Het is voor eiken publieken onderwijzer
van eene volstrekt bindende kracht.
„In de derde plaats: de bepaling der 8de .alinea, dat
het onderwijs in de godsdienst wordt overgelaten aan de
zorg der kerkgenootschappen. Ik beschouw dit als een
gebod aan ,den ])ublieken onderwijzer. De wet zegt, waar
zijne roeping eindigt en eene andere roephig begint. Hij
moet het onderwijs in de godsdienst overlaten aan diegenen
aan wie die zorg toekomt.
„ Eindelijk ten vierde : de instelling, welke de Kamer,
voor zooveel van haar afhing, reeds gevestigd heeft, het
wezen der algemeene volksschool, met een slechten naam,
zoo mij voorkomt, gemengde school genoemd, de school
vooi' allen, waaraan alléén Christendom loven verdeeldheid
van geloof kan beantwoorden."
Een paar dagen later zeide de heer thüubecke ook nog
dit:
„ Ik had (volgens den spreker uit Leyden) van Christen-
dom boven geloofs\'erdeeld]ieid gewaagd. Wat voert de ge-
achte spreker mij te gemoet? Het Christendom, dat gij
bedoelt, dat volgens n het ondermjs op de scholen van zelf
zal bezielen, „is gerigt tegen alle gezindheden." Een mis-
verstand; want — en ik meende mijne gedachte duidelijk
genoeg te hebben geaegd, — dat Christendom sluit geene
bijzondere geloofsbelijdenis , noch die van anderen , noch de
mijne, uit. Het staat boven al die geloofsbelijdenissen en
omvat ze alle.
„ De verschillende opvattingen deeren het Christendom
niet; zij zijn het onvermijdelijk gevolg van den rijkdom van
zijn inhoud en van onze menschelijke beperktheid.
„ De geachte s])reker heeft mij gevraagd : welke zijn de
dogmata van uw Christendom? Van nw Christendom? De
geachte spreker heeft het denkbeeld, als of ik, die niemand