Boekgegevens
Titel: De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Auteur: Blaupot ten Cate, Steven
Uitgave: Groningen: K. de Waard, 1862
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 B 46\1\3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203709
Onderwerp: Onderwijs: onderwijsbeleid op macroniveau: overige
Trefwoord: Hofstede de Groot, P., Onderwijsinspectie, Juridische aspecten, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Vorige scan Volgende scanScanned page
41.
De heer thorbecke heeft cle twee volgende stellingen ont-
\rikkeld :
1. De overheid is in haar doen en laten evenmin af-
hankelijk van eenig kerkgeloof, als kerkgeloof afhankelijk
is of zijn mag van de overheid. Voorheen was er weder-
keerige afhankelijkheid; eerst sedert 1789 is het algemeen
begrepen en regel geworden, dat godsdienst geheel behoort
aan dat gebied van persoonlijke vrijheid waar geenerlei staats-
of overheids gezag regeert. Onder ons althans vindt dat
groote beginsel geen tegenspraak meer. Maar hetgeen er
tegenover staat en daan^an eene voorwaarde is : volkomene
bnafliankelijkheid der overheid van alle kerkgeloof, wordt
nog niet zoo eenparig erkend. Van de ondste tijden her-
waarts, Mijnheer de A'oorzitter, was het een bijzondere trek
der kerkelijke geloofsbegrippen om over andere, en zelfs,
buiten den kring der Kerk, over de begrippen op ander
gebied van mensehelijke kennis heerschappij te voeren. En
die neiging is nog niet bedwongen.
„ Als voorbeeld herinner ik mijne betrekking tot den
spreker uit Lej den (den heer groex vax prksterer) ten
aanzien van dit onderwerp. Zoo hij vrijheid van onderwijs
vroeg, was ik zijn bondgenoot; maar van het oogenblik af,
dat hij het onderwijs, in zijn geest te geven, met een
officieel karakter trachtte te bekleeden, was scheiding en
strijd onvermijdelijk. De openbare volksschool in te rigten
naar de geloofsbelijdenis van eene bepaalde kerk, gelijk door
hem verlangd wordt, is toch, mijns inziens, vooreerst strijdig
met het wezen der volksschool, eene school voor allen;
ten tweede met die vrijheid, welke hij, meen ik , bovenal
zich verpligt moet achten in besclierming te nemen, met
de vrijheid der kerk. Want het is duidelijk, dat zoodanig
onderwijs het godsdienst-ondenvijs in de handen der over-
heid zal brengen. Daar toch, in de eerste plaats, de over-
heid moet waken, dat er alom voldoend lager Onderwijs
gegeven worde, zal die zorg zich tot een voldoend gods-
dienstig onderwijs moeten uitstrekken. Ten andere, de aan-
staande onderwijzers , volgens de Grondwet, aan een examen
te onderwerpen , moeten daarbij dan ook hunne bekwaam-
heid in de hoofdwaarheden van een positief Christelijk geloof
doen blijken. Ten derde, de overheid moet, volgens de
Grondwet, toezigt voeren over de ambtsbediening van den