Boekgegevens
Titel: De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Auteur: Blaupot ten Cate, Steven
Uitgave: Groningen: K. de Waard, 1862
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 B 46\1\3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203709
Onderwerp: Onderwijs: onderwijsbeleid op macroniveau: overige
Trefwoord: Hofstede de Groot, P., Onderwijsinspectie, Juridische aspecten, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Vorige scan Volgende scanScanned page
43
scliou\y(l. Maar ook deze te vervullen behoort tot de roe-
ping van den Christen. Ik voor mij zou dus \yèl zoo dui-
delijk vinden de uitdrukking: Christelyk-Maatschapjjelijl-e
deugden, als deugden, die in eene Christelijke maatseliappij
moeten worden betracht. Ik zal er echter geen amende-
ment op voorstellen. Wil de Eegering zelve de uitdruk-
king wijzigen , ik geloof, dat het goed zou zijn. Doet zij
het evenwel niet, ik zal er niet om afstemmen."
Later sprak de IMinister van Roomsch-Cathohjke Eere-
dienst (de heer van romunde) het volgende:
„Ik eerbiedig de vrees van den heer dommer van pol-
dersveldt, gedeeld door meerderen, dat door de woorden
opleiding tot Christelijke deugden aan het onderwijs eene
eenzijdige rigting zou kunnen worden gegeven, maar ik vraag
of die vrees door eenige wetsbepaling kan worden voorge-
komen of weggenomen, en of dat in het bijzonder kan ge-
schieden door zijn voorstel, door de woorden „ opwekking
van godsdienstzin?" Ik geloof, dat die formule niet goed
is, omdat ze is te algemeen, te onbestemd, en omdat ik
op dat punt geheel deel in het gevoelen straks door het
geëerde lid dezer Vergadering, den heer blaupot ten cate ,
ontwikkeld. Mijne meening is deze, Mijne Heeren , dat,
wat men ook stelle, bevordering van godsdienst, zooals stond
in het ontwerp van den heer van eeenen; opwekking tot
godsdienstzin , gelijk de heer dommer van poldersveldt heeft
voorgesteld; opleiding tot Christelijke dengden, gelijk de Ee-
gering voordraagt, of niets van dat alles, hetgeen het
ergste zou zijn, van alles misbruik kan gemaakt worden, en
alle gevaar voor eenzijdige rigting bij de wet niet kan wor-
den voorgekomen, omdat het geldt de uitvoering, de prac-
tijk. De Eegering wil geene eenzijdige rigting; zij geeft de
waarborgeir die zij kan geven en hecht voor het Nederland-
sche volk aan de woorden Christelijke deugden. Ik wensch
hier mijne overtuiging uit te drukken dat, naar mijne ge-
dachte, de eenig bruikbare, de thans eenig mogelijke bepa-
ling in de wet op te nemen deze is, dat ze bevat het
voorsclirift van opleiding tot Christelijke deugden" (1).
(1) De Heer dommer heeft vervolgens zijn amendement ingetrokken, niet
omdat hij voldaan of gerust gesteld was, maar omdat toch ook , bij zijne
wijziging, van het woord godsdienstsin misbruik kon worden gemaakt.
I