Boekgegevens
Titel: De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Auteur: Blaupot ten Cate, Steven
Uitgave: Groningen: K. de Waard, 1862
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 B 46\1\3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203709
Onderwerp: Onderwijs: onderwijsbeleid op macroniveau: overige
Trefwoord: Hofstede de Groot, P., Onderwijsinspectie, Juridische aspecten, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Vorige scan Volgende scanScanned page
41
lijk voorkwam, dan zou ïh onder de eersten wezen, die
hunne stem daartegen verheffen en de Regering met kracht
bestrijden. Maar ik zie daarvoor geen grond.
„Evenwel, de mogehjkheid toegestaan, dat er misbruik
van die bevvoordingen gemaakt zou kunnen worden, dan
moet ik toch met alle bescheidenheid vragen, of dat mis-
bruik ook niet gemaakt worden kan van de woorden die de
geachte afgevaardigde van Nijmegen bij amendement heeft
voorgesteld : opwekking van godsdienstzin ? Ik voor mij vat
zijne bedoeling zeer wel. IJie bedoeluig is geheel zuiver
en goed. Hij wenscht uit te drukken, iets, waarop ik
zelf in mijne eerste rede bij deze discussie heb aangedron-
gen.
„ Maar ik spreek over het gevaar van misbruik, dat ook
van deze woorden gemaakt zou kunnen worden, indien zij
gevoegd worden in deze wet. Het woord godsdienstzin is
vatbaar voor eene zeer ruime en breede uitlegging. Ik ge-
loof , dat ik met regt zou kunnen vragen, of bij voorbeeld
door het leerstellige de godsdienstzin niet bijzonder wordt
opgewekt? Of men dus het leerstellige nog niet veel meer
kan brengen bij de opwekking van godsdienstzin, dan bij
de opleiding tot alle Christelijke deugden? Altijd met het
oog op het misbruik, dat er van gemaakt zou kunnen wor-
den. Het komt mij voor, dat dit kwalijk kan worden te-
gengesproken. Als men zegt, dat alinea 2 daartegen wa-
ken zal, dan is datzelfde te zeggen van het ontwerp, zoo-
als het door de Eegerhig is voorgesteld.
„ De geachte voorsteller heeft zich, als ik hem wel heb
verstaan, vereenigd met het denkbeeld, dat de Staat, qua
Staat, geene bijzondere godsdienst heeft, even als onze ge-
achte mede-afgevaardigde, de heer wintgexs, zeer teregt
gesproken heeft van l'état Idique. Maar de geachte voor-
steller van het amendement zal mij toestemmen, dat zulks
alleen toepasselijk is op het leerstellige, niet op Christelijke
deugden; want hoe zou hijzelf anders hebben kunnen voor-
stellen : godsdienstzin? Dan mag ik immers met alle be-
scheidenheid vragen : „ voor welk eene godsdienst de zin
zal worden opgewekt?"
„^laar mögt het mogelijk zijn. Mijne Heeren, dat er
van beiderlei uitdrukking nog misbruik gemaakt kan wor-
den , — en waarvan kan dat niet worden gemaakt ? — dan
moet ik mij toch aan de zijde der Regering voegen. Waar-