Boekgegevens
Titel: De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Auteur: Blaupot ten Cate, Steven
Uitgave: Groningen: K. de Waard, 1862
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 B 46\1\3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203709
Onderwerp: Onderwijs: onderwijsbeleid op macroniveau: overige
Trefwoord: Hofstede de Groot, P., Onderwijsinspectie, Juridische aspecten, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Vorige scan Volgende scanScanned page
40
Heeren, al zij het ook zoo, dat die deugden haren eigen-
lijken grond en wortel hebben in het geloof.
„ Want wat zijn eigenlijk ChmtelijJce deugden en waartoe
moet dus bepaald door den onderwijzer worden opgewekt?
God lief te hebben boven alles en onze medemenschen ge-
lijk ons zeiven, en alles wat daaruit voortvloeit en daarmede
in vriendelijk verband staat. Uat is ook de ver^'ulling van
de wet en de profeten bij de Israëliten, zooals een geacht
mede-afgevaardigde (de heer de brauw) gisteren te regt heeft
opgemerkt. Het kan schijnen, dat hij zich eenigzins bloot
gegeven heeft, met te zeggen, dat de Israëlitische en
Christelijke zedeleer één zijn. Men moet dit Z()(5 verstaan,
dat hun, vóór Christus, veel werd toegegeven, wat nu niet
meer voegt; zij zoowel als het geheele menschdom waren
in een staat van eerste ontwikkeling. Maar dit neemt niet
weg, dat het hoofdgebod, waarvan ik gesproken heb, ook
hier reeds de vervulling uitmaakt van de wet en de profe-
ten, ook bij hen zeiven. Gij moogt het vragen, ook aan
de meest orthodoxen onder hen , zoo als hier van eene or-
thodoxe partij bij hen gesproken is, of zij iets tegen de leer
der ChriMelijke deugden hebben, en zij zullen zeggen: neen!
„ Ik geloof dus, dat die benaming: Christelijke deugden,
zeer goed door de Regering is gekozen. Het is veel beter,
dan om van Christelijk heginsel of beginselen, of van Chris-
telijke volksscholen te si)reken. Hie benaming kan ook den
Israëliet niet hinderen. Ik kan ook niet zien, dat de Rege-
ring ons daardoor blootstelt aan zulk een groot gevaar van
misbruik als door sommigen wordt ge\Teesd.
„ Als ik hier eenig gevaar van misbruik bemerkte, Mijne
Heeren, dan zou mijne positie zoodanig zijn, dat ik het
niet ligtvaardig voorbij moest zien, of ik zou mij scliuldig
maken aan eene groote onverschilligheid omtrent mijne ei-
gene kerkgemeenschap. Waiit wat is het geval? Ik be-
hoor tot een der kleinste kerkgemeenschappen in ons Va-
derland; onder de onderwijzers zijn er zeker al zeer enkelen
die daartoe behooren; ik deel in de overtuiging, dat de
persoonlijke invloed van den onderwijzer op de begrippen
zijner schoolkinderen groot is; ik weet, dat de minderheid
wel eens tot de gevoelens der meerderheid kan overgebogen
worden. Ik kan u verzekeren, als de wet mij te dezen
cpzigte door die uitdrukking : ChriMelijke deugden, gevaar-