Boekgegevens
Titel: De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Auteur: Blaupot ten Cate, Steven
Uitgave: Groningen: K. de Waard, 1862
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 B 46\1\3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203709
Onderwerp: Onderwijs: onderwijsbeleid op macroniveau: overige
Trefwoord: Hofstede de Groot, P., Onderwijsinspectie, Juridische aspecten, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Vorige scan Volgende scanScanned page
39
„ Zij heeft nu eenmaal dat ongeluk gehad. Au heett
men de quaestie overgebragt op het terrein van de theorie,
en men is elkander met allerlei \Tagen lastig gevallen; zoo
ook, b. v.: „hoe een Israëliet, aan het hoofd eener open-
bare school staande. Christelijke deugden zou kunnen in-
])renten?" Maar, Mijne Heeren, ik moet dan toch in ge-
moede vragen, als eenig Israëliet daartoe geroepen vierd,
'tgeen wel niet dikwijls gebeuren zal, zou hij dan ^eye« de
Christelijke deugden s])reken ? Maar verder: Een Israë-
liet, door u denkbeeldig aan het hoofd van zidk eene school
geplaatst, zou immers werkelijk terstond weder moeten be-
danken, als hij zag, dat hij niet voldoen kon aan dezen
eisch der wet : npleiding tot alle Christelijke en maatschap-
pelijke deugden !
„ Er bestaat nog eene andere bedenking tegen de woor-
den: Christelijke deugden. Zij is namelijk de \Tees voor
gevaar van misbruik. Het ligt mogelijk aan mij , maar,
ik kan dat gevaar nog niet zoo duidelijk inzien. Men
heeft zich tot staving van dat gevaar op de ondervinding
met de wet van 1800 beroepen. Ik moet daartegen op-
merken, dat de wet van 1800 niet versterkt was met zulk
eene bepaling als hier in alinea t van art. it (nu 23)
voorkomt, en dat deze bepaling toch vrij wat sterker is,
dan wat alleen in reglement A, bij de wet van 180G ,
art. 23, gezegd wordt: „dat het geven van het onderwijs
in het leerstelhge niet zal geschieden door den school-
meester."
„ Ook hier is toepasselijk wat ik reeds gezegd heb, dat
de woorden: Christelijke deugden iets veel meer bepaalds te
kennen geven, dan de woorden: Christelijke beginselen; en
zoo ook iets veel meer bepaalds, dan de woorden: Christe-
lijke volksscholen. Ook de laatste benaming zon mij te uit-
gebreid en te onzeker zijn. Daaronder zoudt gij mede,
zoowel het leerstellig als zedekundig gebied kunnen trekken.
De benaming van Christelijke volksscholen zou niet alleen
ongrondwettig zijn, tegenover de Israëliten; maar is zoo
onbepaald en geeft aanleiding tot zooveel misverstand, dat
de Regering zeer wel heeft gedaan, aan aUe adressen, daar-
toe strekkende, geen gehoor te geven. De Regering bevindt
zich nu op een veel beter standpunt. ^^ ant met het woord
deugden blijft zij altijd o]) een afgebakend territoir, Mijne