Boekgegevens
Titel: De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Auteur: Blaupot ten Cate, Steven
Uitgave: Groningen: K. de Waard, 1862
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 B 46\1\3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203709
Onderwerp: Onderwijs: onderwijsbeleid op macroniveau: overige
Trefwoord: Hofstede de Groot, P., Onderwijsinspectie, Juridische aspecten, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Vorige scan Volgende scanScanned page
38
wordt, maar alleen omtrent liet aanleeren van gepaste en
nuttige kundigheden. En zoo heeft die geachte spreker
het natuurlijk bedoeld. Maar ten opzig-te van het punt in
quaestie, zou ik zeggen: zij leeren hier niet wat zij moeten
gelooven, maar wat zij moeten doen! Doen, de deugden,
die zij in praetijk moeten brengen.
„Als gij nu zegt, geene Christelijke devgd zonder de
bron, het Christelijk geloof, welnu, laat voor de kinderen
der Christenen die bron vloeijen, waar ze vloeijen moet,
op de catechisatiën en in de liuisgezinnen! Maar wijst
in de openbare school op die deugden, instemmende met
het geweten van die kinderen zelve, versterkt door het ge-
loof aan God en de eeuwigheid, door goede voorbeelden en
het beste voorbeeld boven al. De verdere versterking moet
hun o]) een ander territoir gegeven worden. Ik kan niet
anders zien, of het is dus even grondwettig, wanneer wij
de opleiding tot alle Christelijke detigden toelaten, als de
opwekking van godsdienstzin. Volgens onze beschouwings-
wijze hebben de kinderen van Christenen altijd wat vooruit
boven de khideren van niet Christenen, omdat de Christe-
lijke deugden van de eersten buiten de school nog door
het Christelijk geloof kunnen en zullen worden versterkt,
maar dit neemt volstrekt niet weg, dat wij ieder kind, op
de openbare school, op de Christelijke deugden mogen
wijzen. Genieten zij niet onze versterking door het Christe-
lijk geloof, dat is niet onze schuld. Op de school zelve
kan men dat leerstellig geloof niet brengen, of wij zouden
ons begeven, zoo als ik reeds vroeger gezegd heb, in strijd
met de Grondwet, in strijd met de regten van de Kerk,
in strijd met de regten van iederen bijzonderen geloofsbelijder.
„ Ook ik heb eigenlijk aan het brengen van die woorden
in de wet, hetzij van Christelijke deugden, hetzij van gods-
dienstzin , nooit zeer gehecht, omdat ik dacht: dat is na-
tuurlijk, welk onderwijzer in eenig Christelijk land zal an-
ders doen? Die onderwijzer zal geen opzettelijken cursus
met zijne scholieren houden over godsdienstzin of Christe-
lijke deugden; maar hoe zal het ooit anders kunnen
zijn, dan dat hij hen daartoe opwekken zou? Maar de
zaak, die zoo natuurhjk schijnt, heeft het ongeluk gehad,
als een twistappel te vallen in den strijd tusschcn Staat en
Kerk en tusschen den naijver en de vrees van de kerkge-
nootschappen onderling.