Boekgegevens
Titel: De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Auteur: Blaupot ten Cate, Steven
Uitgave: Groningen: K. de Waard, 1862
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 B 46\1\3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203709
Onderwerp: Onderwijs: onderwijsbeleid op macroniveau: overige
Trefwoord: Hofstede de Groot, P., Onderwijsinspectie, Juridische aspecten, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Vorige scan Volgende scanScanned page
37
liier reeds meermalen gezegd en ook gisteren herhaald, dat
men nu door het woord ChristelijJc tevreden is met de wet,
omdat men er nu in vindt het Chrlstel'ijk beginsel. Ik houd er
van dat wij duidehjk ons uit(h'ukken, of wij worden niet
duidelijk begrejjen. Als men zeggen kan, nu is het Chris-
telijk beginsel o|) de openbare school, dan zou ik mij er
tegen verzetten, juist oin ^t geen ik gezegd heb, dewijl dat
de geloofs- en zcdeleer beide omvat. Daarom moet men
nooit van beginsel of van beginselen spreken, of men moet
bepaald formuleren en ]irecisereu wat men bedoelt. Want
ik herhaal de vraag, of dan de geloofsleer niet tot het
Christelijk beginsel behoort ? Men moet dus nooit meer
zeggen, dan dat een onderdeel van het Christelijk beginsel,
de moraal, het zedelijk gedeelte, de opwekking tot Chris-
telijke deugden in de wet gekomen is.
„ik zeg dit volstrekt niet uit zekeren puristischen ijver.
Mijne Heeren, maar wij hebben bij dit artikel zoo zeer met
de betcekenis der woorden te doen, dat ik noodzakehjk op
dat onderscheid moet doen letten. Want als wij zeiden:
„nu is het Christelijk beginsel oj) de school," juist dan
zouden wij ons wel schuldig maken aan eene poging tot
misleiding. Men kan wel zeggen, dat er volgens chiiisïus
geleerd mag worden : ,, hebt uwe vijanden lief," en wat
een geacht medelid verder zeer te regt, omtrent het geven
van aalmoezen, heeft in het midden gebragt. Dit zijn
evenwel geene beginselen van deugd en zedelijkheid, maar
het zijn de verschijnselen, die zich uit het beginsel open-
baren; die een gevolg daarvan zijn.
,, Wij moeten hier niet die beginselen of met het Chris-
telijk beginsel niet te ruim te werk te gaan, of sommigen
zouden ons met regt eenigzins hard kunnen vallen over
de beteekenis die wij aan het woord beginsel geven. AVant
met dit woord begimel, zouden wij altijd terug moeten ko-
men op het geloof, op het leerstellige. Wij moeten dan
althans nooit nalaten om het woord zedelijk begimel te ge-
bruiken. Maar ook dan nog zou het woord beginsel niet
in deze wet voegen , en daar ik niet meer beloven wil, dan
ik geef, zoo verlieug ik mij , dat er staat: dengden. De
geachte afgevaardigde van Delft, de Heer wintgens, heeft
gezegd: de kinderen moeten op de openbare scholen lee-
ren niet wat ze moeten gelooven, maar wat ze moeten
weten." Zeer juist, als dit laatste niet te ruim genomen