Boekgegevens
Titel: De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Auteur: Blaupot ten Cate, Steven
Uitgave: Groningen: K. de Waard, 1862
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 B 46\1\3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203709
Onderwerp: Onderwijs: onderwijsbeleid op macroniveau: overige
Trefwoord: Hofstede de Groot, P., Onderwijsinspectie, Juridische aspecten, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Vorige scan Volgende scanScanned page
36
den der Tweede Kanier, voor zoo verre de llegering betuigde
daarmede in te stemmen." (*) ])e bijvoegsels tot liet ge-
sprokene door de Ministers van Binnenlandsche Zaken en
Justitie, op den I en 2 Julij, heb ik reeds boven geleverd
(bladz. 19, enz.). Ik zal mij nu houden aan de volgorde
van den tijd.
De heer dommer van pülders\'eldt liad een amendement
voorgesteld, om in ])laats van : ,, en aan hunne opleiding
tot alle Christelijke en maatschappelijke deugden," te lezen:
„Hunne opleiding strekt tevens, tot opwekking van gods-
dienstzin, vaderlandsliefde cn alle maatschappelijke deugden."
Dit gaf mij aanleiding tot de volgende beschouwing:
„ Het kan niet anders, of die woorden, èn van de Re-
gering, èn van den geachten voorsteller van het amende-
ment, kunnen alleen bedenking baren door de omstandig-
heden, waaronder zij geformuleerd zijn. In het wezen der
zaak toch kan niemand er iets tegen hebben, dat de jeugd
wordt opgewekt tot godsdienstzin. Dat woord is daarenboven
op zich zelf ook grondwettig; geen artikel of regel in de
Grondwet, waartegen het strijden zou. Op zich zelf be-
schouwd, valt er tegen de lezing van den geachten afge-
vaardigde uit Nijmegen geene aanmerking te maken.
„Hetzelfde moet ik echter zeggen omtrent de uitdridvkiiig:
opleiding tot alle CJiristelijl-e deugden. Ik kan niet veron-
derstellen, dat er iemand wezen kan, die zijn kind niet tot
Christelijke deugden wil hebben opgeleid. De zedeleer van
craiisTUs is nooit weersproken, wat hare zuiverheid betreft;
ik herinner mij niet, dat ooit door eenigen man, niet
Christen zijnde, aanmerking op de zuiverheid van onze ze-
deleer is gemaakt. Ik geloof dus , dat wij grondwettig
handelen, als A\ij de woorden : Christelijke deugden aan-
nemen.
„ Als er stond: het Christelijk beginsel, dan zou de zaak
van een geheel anderen aard worden. Het Christelijk Le-
ginsel omvat de geloofs- en zedeleer beide.
„En hier moet gij mij, om een misverstand te voorko-
men, eene oimerking vergunnen. Mijne Heeren, liet is
(») Bladz. 49.