Boekgegevens
Titel: De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Auteur: Blaupot ten Cate, Steven
Uitgave: Groningen: K. de Waard, 1862
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 B 46\1\3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203709
Onderwerp: Onderwijs: onderwijsbeleid op macroniveau: overige
Trefwoord: Hofstede de Groot, P., Onderwijsinspectie, Juridische aspecten, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Vorige scan Volgende scanScanned page
33
de uitgesproken Kede eene dienst te doen, zoo als door U
wordt gezegd, dit doel geenszins is bereikt. Zoodanige liulp
en ondersteuning kan der Kegering bezwaarlijk wenschelijk zijn.
„ Welke verscliillende en uiteenloopende zienswijzen
er omtrent de inrigting der openbare lagere school hebben
bestaan en nog bestaan, het punt in gèschil is door den
Wetgever uitgemaakt en zijn voorschrift moet worden nage-
leefd. Dit heeft dan ook algemeen plaats zonder moeijelijk-
heden of botsingen. Van ontevredenheid met de wet of
spanning zijn geene sporen en bijna allen trachten haar zoo
vruchtbaar mogelijk te doen zijn. Worden er evenwel rede-
voeringen gehonden zoo als de Uwe , dan is het allezins te
vreezen dat de ontevredenheid en spanning, waarvan door
U wordt gesproken, zich zullen vertooneu. Onthoudt men
zich daarentegen van dergelijke beschouwnigen, dan zal het
bestormen, der Eegering met aanzoeken oni eene andere wet
op het lager onderwijs,-waarop door U wordt gewezen, wel
achterwege blijven.
„ De diensten door U gedurende een tal van jaren
als Schoolopziener aan het lager onderwijs bewezen, worden
door de Eegering allezins gewaardeerd. Zij stelt er prijs op
die te blijven gebruiken indien Gij meent de Wet te kun-
nen naleven zoo als de Eegering dit doet en wenscht dat
algemeen geschiede, maar zij mag aan dat verlangen de ge-
trouwe en onpartijdige toepassing der AVet niet ten offer
brengen.
De Minister van Binnenbmdsche Zaken,
(fjet.) s. van heemstra."
^ En nu de houding van de Tweede Kamer. Als eenig
lid van de Kamer, reeds spoedig na het openbaar worden
van de Eede te Winsum, eene interpellatie over die zaak
aan den Minister had gerigt, wie zou dat hebben kunnen
wTaken? Niemand. i[aar de Kamer heeft zelfs ongeveer
a