Boekgegevens
Titel: De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Auteur: Blaupot ten Cate, Steven
Uitgave: Groningen: K. de Waard, 1862
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 B 46\1\3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203709
Onderwerp: Onderwijs: onderwijsbeleid op macroniveau: overige
Trefwoord: Hofstede de Groot, P., Onderwijsinspectie, Juridische aspecten, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Vorige scan Volgende scanScanned page
32
Maar, zooals te regt in Uwen brief wordt gezegd, is ge-
lukkig bij de welwillendheid, waarmede Israëliten en Chris-
tenen elkander bejegenen, en bij den opvoedkundigen tact
der onderwijzers, het bezwaar in de praktijk op verre zoo
groot niet als het in de theorie schijnt.
„ Is dit zoo, waarom dan eene Rede gehouden en open-
baar gemaakt, die, hetzij dan tegen de bedoehng, nu
reeds ten gevolge heeft gehad ^ dat onderscheidene der
hoogstgeplaatste Israëlitische leeraars en ook de Hoofd-
commissie voor de zaken der Israëliten zich en hunne ge-
loofsgenooten gekrenkt en in hunne regten gekwetst achten ?
De nieuwe "Wet is sedert drie jaren in werking. Dusverre
heeft. art. 23 nergens moeijelijkheden van eenig belang op-
geleverd. In geen geval althans is daarbij tusschenkomst
der Regering noodig geweest. Van wantrouwen tegen de
Wet, daargelaten of die bestaat, zijn in dien tijdkring
geen blijken gegeven. In Uwe provincie, zegt de Inspec-
teur, wordt die stelKg zeer schaars gevonden, tenzij bij
personen van eene zekere rigting of kleur. In de praktijk ,
verklaart de Inspecteur, tot nog toe op geene moeijelijkhe-
den te hebben zien stuiten. De zaak ging er zeer goed en
doet dit nog. Hem is geene enkele klagt bekend tegen
eenigen onderwijzer, alsof die art. 23, 2e lid zou hebben
overtreden. Ook in de overige provinciën is dit het geval,
blijkens de mij verstrekte opgaven. Waartoe dus woorden
gesproken en doos den druk verspreid, die, verre van met
de wet te verzoenen en haar aangenaam te maken, eenen
zeer ongnnstigen indruk bij velen hebben te weeg gebragt
en er toe zouden kuimen leiden om datgene te verwoesten
wat de welwillendheid der Christenen en Israëliten onder-
ling en de tact der onderwijzers hebben tot stand gebragt.
Dat die handelwijze de kenmerken van voorzigtigheid draagt,
zou ik meenen te moeten betwijfelen. Dit althans kan ik
verzekeren, dat indien UHEG. gemeend heeft der Regering met