Boekgegevens
Titel: De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Auteur: Blaupot ten Cate, Steven
Uitgave: Groningen: K. de Waard, 1862
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 B 46\1\3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203709
Onderwerp: Onderwijs: onderwijsbeleid op macroniveau: overige
Trefwoord: Hofstede de Groot, P., Onderwijsinspectie, Juridische aspecten, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Vorige scan Volgende scanScanned page
31
zijn gehouden zorg te dragen, dat art. 23 zoodanig worde
nageleefd, dat de godsdienstige begrippen van de ouders der
schoolgaande kinderen worden geëerbiedigd. Beschouwingen,
opmerkingen, wenken tot eene andere toepassing leidende
moeten, door de leden van het schooltoezigt, vooral wan-
neer zij in het openbaar en ambtshalve spreken, worden
vermeden.
„ Ik meen dan ook te mogen verwachten, dat UIIGel.
zich in het vervolg zal gelieven te onthouden van beschou-
wingen en aanbevelingen, aan onderwijzers, zooals die, wat
liet bedoelde punt betreft, in Uwe rede van den 13 Octo-
ber 1860 worden aangetroffen.
JJe Minister van Binnenlandsche Zaken,
(yet.) s. van heemstra.
J)aarop volgde het antwoord van den heer de groot,
ons in het Voorberigt van de Eede te Groningen medege-
deeld.
De Minister schreef het volgende aan den Schoolopziener
terug, den 13 April 1861 :
„ De heer Inspecteur van het lager onderwijs in Uwe
provincie, heeft mij Uwen brief van den 4 dezer tot toe-
lichting Uwer te Winsum gehouden Eede doen toekomen.
- Hoewel die brief niet bepaald een antwoord vordert, wensch
ik toch met een enkel woord op de daarin besproken zaak
terug te komen , ook om geen aanleiding te geven tot de
opvatting, dat ik met die toelichting hi allen deele genoe-
gen heb genomen.
„ Het is mij toch geenszins uit Uwe nadere ophelderin-
gen gebleken, dat er eenige noodzakelijkiieid bestond tot
het doen en openbaar maken der opmerkingen, wenken
of hoe men het noemen wil, in Uwe Eede vervat. Dat
de toepassing van art. 23 der Wet aan moeijelijk lieden on-
derhevig kan zijn, zal niet ligt worden tegengesproken.