Boekgegevens
Titel: De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Auteur: Blaupot ten Cate, Steven
Uitgave: Groningen: K. de Waard, 1862
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 B 46\1\3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203709
Onderwerp: Onderwijs: onderwijsbeleid op macroniveau: overige
Trefwoord: Hofstede de Groot, P., Onderwijsinspectie, Juridische aspecten, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Vorige scan Volgende scanScanned page
29
heeft mij van harte leed gedaan; na dat gebeurde kon ech-
ter niet anders dan een zoodanige afloop worden verwacht.
De heer de groot was Schoolopziener, evenzeer als hij vrije
Nederlander is; als Sclioolopziener vrijwillig in dienst der
Regerhig. AYare het niet beter geweest, dat de verdienste-
lijke man deze betrekking had nedergelegd, vóór hij als
vrije Nederlander, maar toch ook Schoolopziener, zoo iets
uitsprak, als te Winmtm en te Groningen is geschied? Ik
wil slechts, met bescheidenheid, deze vragen aan aller oor-
deel overgeven :
Ligt het wel op den weg van een Schoolopziener, die
de wet moet helpen uitvoeren en handhaven, diezelfde wet
te iucriminercu, als of zij het onmogelijke heoeelt ? (Zie
Rede te IFhmm, bl. 14.)
Ligt het wel op den weg van een Schoolopziener, om
het schooltoezigt, de onderwijzers, ja (door het uitgeven van
die stukken), de ouders en de geheele natie te inti-
mideren , terwijl hij gcenerlei klagt had te openbaren aan
den provincialen Inspecteur of aan de Regering zelve, waar
zulk eene klagt toch in de eerste plaats zou te huis be-
hooren ? (Zie boven, bladz. 22.)
Is een Schoolopziener, die zoo handelt, in deze betrek-
king voor de Regering geschikt, tot uitvoering eu handha-
ving der wet ?
En hebben èn de Regering en de Kamer bij dat alles
niet zeer toegevend en geduldig gehandeld ?
Ik geloof, dat het antwoord op de drie eerste vragen
terstond door ieder kan gegeven worden. Het antwoord op
de laatste vraag zal ik eenigzins toelichten. Ik kan dit
dies te beter doen, omdat de Jlinister van Binnenlandsche
Zaken, die twee missives aan den heer de groot tot waar-
schuwing geschreven cn mij verzocht heeft ze na kennisne-
ming aan liem te doen geworden, mij later op nrjn verzoek
h;!eft toegestaan daarvan zoodanig gebruik te maken, als mij