Boekgegevens
Titel: De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Auteur: Blaupot ten Cate, Steven
Uitgave: Groningen: K. de Waard, 1862
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 B 46\1\3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203709
Onderwerp: Onderwijs: onderwijsbeleid op macroniveau: overige
Trefwoord: Hofstede de Groot, P., Onderwijsinspectie, Juridische aspecten, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Vorige scan Volgende scanScanned page
•37
zich hierbij bepaalt, dat hij de harten der jengd ontvanke-
lijk maakt voor het zaad des Enangelies, dan dat hij het
zelf uitstrooit, misschien hier of daar op eene wijze, die
de godsdienstleeraar Hever anders had gezien. Het eenige,
wat de tegenstanders der gemengde school hiertegen kunnen
zeggen , is dit: dat het niet genoeg is; zij kunnen niet zeg-
gen , dat het verkeerd is. 't Is niet verkeerd; de jeugd ont-
vangt geene verkeerde begrippen. Maar niet genoeg zou het
zijn, als er geene godsdienstleeraars of catechisatiën in ons
land bestonden. Maar als nu de jeugd op de lagere scho-
len wordt opgeleid, gevormd en geschikt gemaakt, en als
zij daar wordt aangemoedigd, om het leersteUig onderwijs
bij de godsdienstleeraars te ontvangen, dan is de beschul-
diging onregtvaardig en onverdiend, dat de gemengde scho-
len godsdieiistlooze scholen zouden zijn. ATel in den Kerke-
lijken zin, in zooverre daar geene leerbegrippen worden
verkondigd, aan bijzondere Kerkgenootschappen eigen. Maar
het zijn , om mij zoo uit te drukken , kerkelooze scholen,
en zoo moeten ze zijn." (1)
En eenige dagen later: „ als men klaagt, de jeugd ont-
vangt niet genoeg, dan is dat eene directe vermaning aan
de ouders, dat zij zelve wat beter moeten zorgen, niet al-
leen voor de voeding, maar ook voor de opvoeding van
hunne kinderen. Dan is dat eene opwekking voor ons en
voor onze gelijken, personen uit de hoogere standen, om
toch wat meer ook persoonlijk te letten op de lagere huis-
gezinnen en op onze dienstbaren; eene vermaning aan ons
zelve, om te werken door ons voorbeeld, door raad en
daad en invloed. Dan is dat daarenboven eene vermaning
aan de godsdienstleeraars, om vooral werk te maken van de
catechisatiën. Telen hunner doen dat ook, op de allerlof-
felijkste wijze; misschien zijn er ook, die zulks flaauwer
(2) Bijblad 18.56—1857, bl. 964.