Boekgegevens
Titel: De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Auteur: Blaupot ten Cate, Steven
Uitgave: Groningen: K. de Waard, 1862
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 B 46\1\3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203709
Onderwerp: Onderwijs: onderwijsbeleid op macroniveau: overige
Trefwoord: Hofstede de Groot, P., Onderwijsinspectie, Juridische aspecten, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Vorige scan Volgende scanScanned page
2()
wißs daarin, maar opleiding daartoe, onder en door leeren, doen
en toe te laten, even als de onderwijzer niets mag loeren,
doen en toelaten, wat strijdig is met den eerbied, verschul-
digd aan de godsdienstige begrippen van andersdenkenden.
Eene andere opvatting, b. v. iets kerkelijk-leerstelligs, zoo als
men dit doorgaans verstaat, daar in te mengen, wordt on-
mogelijk en ongerijmd, omdat men dan de Ie en 2e alinea
van art. 23 tegen elkander zou laten strijden , en het is
een regtsbeginsel, dat de wetgever geacht moet worden het
oimiogelijke en ongerijmde niet te willen. Dat de wet bij
de aanneming ook alzoo is opgevat, zal nader blijken uit
het Aanhangsel, 'twelk ik hier achter voeg. Hieruit volgt,
dat de ouders volstrekt niet ontevreden en wantrouwend
omtrent dit punt van het openbaar lager onderwijs behoe-
ven te zijn en dat de onderwijzers geene angst en verle-
genheid behoeven te gevoelen, zoolang zij tot Christelijke
deugden opleiden, zonder het kerkelijk-leerstellige. Maar
hieruit volgt evenzeer, dat de heer de groot aan het slot
zijner missive aan den Minister niet had moeten spreken
van zijn „ijver voor het behoud van tó Christelijh beginsel,
op de lagere school." (1) Eene opwekking tot het Christe-
lijk beginsel, daaronder moet veel meer verstaan worden
dan onder opleiding tot alle Christelijke deugden. Ook dit
zal duidelijk worden uit het Aanhangsel.
Ik heb ergens gezegd en ik herhaal het hier met volle
overtuiging : „ dat ik op de lagere school de aarde wensch
toebereid te zien, om de geopenbaarde, de Christelijke
godsdienst te kunnen ontvangen uit eene hand, die bevoegd
is , om goed zaad in die aarde te strooijen, en deze be-
voegde hand is die van den godsdienstleeraar. Ik laat het
over ter beoordeeling aan eiken onpartijdige en deskundige,
of het niet beter is , dat de onderwijzer op de lagere school
(1) Voorberigt, bl. IX.