Boekgegevens
Titel: De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Auteur: Blaupot ten Cate, Steven
Uitgave: Groningen: K. de Waard, 1862
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 B 46\1\3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203709
Onderwerp: Onderwijs: onderwijsbeleid op macroniveau: overige
Trefwoord: Hofstede de Groot, P., Onderwijsinspectie, Juridische aspecten, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Vorige scan Volgende scanScanned page
27
in het cateclusatie-werk; ma^r als er ergens reden mog-t
bestaan, om hierover te klagen, dan moet men daarom in
de scholen niet meer zoeken, dan er gevonden mag wor-
den, of aan de scholen meer opleggen, dan haar toekomt.
Met zulk eene aanwijzing zou men de ouders ontevreden
kunnen mahen.
Be zal nu maar over die Eede te Winsum, waarin ook
aan ouders, onder zekere omstandigheden, voorgehouden
wordt: „dat zij ontevreden zullen zijn," niet langer spre-
ken. Maar als ik in het volgende stuk, de Eede te Gro-
ningen, lees: „ dat de regte weg van opleiding tot alle
Christelijke deugden in de wet niet opzettelijk is aangewe-
zen en in officiële stukken daarover ook meer is aangeduid
dan aangetoond;" als ik den Spreker nu die aanduiding
hoor verklaren en die verklaring hoor eindigen met de woor-
den : „ Ziet, Mijne Hoorders! ook om deze duidelijke uit-
legging der wet door hen, die de wet hebben gemaakt,
gegeven en wel ofïiciëel gegeven, lieb ik mij verblijd in de
wet zelve; en als ik dan toch in weerwil van dien lof in
't voorberigt van datzelfde stuk lees: „ dat de natie wan-
trouwend en dat de onderwijzers angstig en verlegen wor-
den omtrent dit punt," (1) dan mag ik vragen, wie tot
zoodanige ontevredenheid en wantrouwen, angst en verle-
genheid , in één woord tot spanning aanleiding geeft, al
zij dat dan ook niet met voorbedachten rade.
Ik moet hier nog een kort woord bijvoegen. De vraag
loopt eigenlijk over eene grens-kwestie. De heer de groot
wil weten, wat hij al onder: „ opleiding tot alle Christelijke
deugden," kan verstaan en betrekken, zonder in strijd te
komen tegen de 2e alinea van art. 23 der wet. Daardoor
wordt alleen verstaan de moraal, de zedelijke zijde, oplei-
ding tot alle Christelijke deugden, niet een geregeld onder-
(1) Bladz. 23, 26 cn voorberigt bl. IV.