Boekgegevens
Titel: De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Auteur: Blaupot ten Cate, Steven
Uitgave: Groningen: K. de Waard, 1862
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 B 46\1\3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203709
Onderwerp: Onderwijs: onderwijsbeleid op macroniveau: overige
Trefwoord: Hofstede de Groot, P., Onderwijsinspectie, Juridische aspecten, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Vorige scan Volgende scanScanned page
23
betoogeii: post, ergo propter. Maar ook deze klagt werd
ongegrond bevonden.
AA'aarotn dan zoo angstvallig te zijn en angstvallig te
maken ? Waarom de gemoederen in spanning te brengen,
over iets, waaromtrent de Schoolopziener zelf geene klagte
heeft gehoord? "Waarom die pijlen afgeschoten èn op de
wetgevers, èii op het schooltoezigt, èn op de onderijzers,
als of er wezenlijk reden van vrees bestaat voor eene ge-
zonde uitvoering van de wet? Want, de heer de geooï
duide mij niet euvel, als hij van de wet zegt, dat
zij het onmogelijke gebiedt; als hij daarenboven vreest:
„dat een achtenswaardig man, met het schooltoezigt of
schoolonderwijs belast, uit zorg voor de klippen de haven
voorbijzeilt" (1), dan brengt liij alles in erge verdenking. Van
de wet behoef ik nu voorshands niet meer te spreken.
Maar meer dan hij vertrouw ik, ook reeds door ondervin-
ding van de laatste jaren, onder deze wet beleefd, op den
goeden zin en den verstandigen tact van het schooltoezigt
en van de onderwijzers beide, mits zij niet zoo beangstigd
gemaakt en tusschen de leden van art. 23 ingeschroefd
worden, met zooveel onvereenigbare stellingen, als wij bij
den heer de groot in de resumtie hebben aangetroffen.
Xeen! ik vertrouw meer op den goeden indruk, dien
de woorden van den Spreker te Wimim zidlen hebben ge-
maakt , toen hij tot de onderwijzers zeide : „ De opleiding
uwer leerlingen tot alle Christelijke en maatschappelijke
deugden zij, blijve, worde u meer en meer hoofdzaak.
Zoekt daartoe zelve meer en meer die deugd te beoefenen;
wordt hoe langer zoo meer zelve vervidd met den geest van
Christus, opdat de geheele leiding en besturing uwer school
wijs en liefdevol, heilig en heiligend zij." (2) Zeer juist.
(1) Rede te Ghrmingen, bl. 28.
(2) Rede te Winsum, bl. 16.