Boekgegevens
Titel: De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Auteur: Blaupot ten Cate, Steven
Uitgave: Groningen: K. de Waard, 1862
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 B 46\1\3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203709
Onderwerp: Onderwijs: onderwijsbeleid op macroniveau: overige
Trefwoord: Hofstede de Groot, P., Onderwijsinspectie, Juridische aspecten, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Vorige scan Volgende scanScanned page
22
1857) liad gezegd de moeijelijklieid er van in tlieorie on-
oplosbaar te vinden." (1)
Ik kan bezwaarlijk gelooven , dat de heer de geoot die
bezwaren ondervonden heeft. Hij was Schoolopziener, hij
had ze dus wel kunnen ondervinden, indien ze er waren.
Maar waarom lieeft hij dan van die bezwaren met geen
enkel kort woord gesproken in een vroeger of later jaarlijksch
verslag, volgens de wet door hem ingezonden aan den Pro-
vincialen Inspecteur, om door dezen kenbaar te worden
gemaakt aan de Regering ? Hier zou dan toch zijn bezwaar
als Schoolopziener in de eerste plaats te huis behooren.
Maar in zijn verslag over 1858 komt omtrent art. 23 niets
anders voor dan dit: „ de geest en de strekking van het
onderwijs is, gelijk art. 23 voorschrijft, sedert lang in dit
District. Klagten zijn er geene gehoord." In zijn verslag
over 1859 weer niets anders dan dit: „in den geest van
dit artikel is in dit District het onderwijs sedert eene lialve
eeuw gegeven. Klagten zijn ook in 1859 niet gehoord."
In zijn laatste verslag nog, over 1860, niets anders dan
dit: „over de opvolging van art. 23 is geenerlei klagte bij
het schooltoezigt ingekomen."
Ik moet desgelijks betuigen, ook bij mij zijn geenerlei
klagten ingekomen , noch bij eenigen Schoolopziener in deze
provincie voor zooverre mij uit hunne verslagen of anders be-
kend kon zijn. Meest allen prijzen daarentegen den goeden
geest, waarin de wet door de onderwijzers wordt opgevat
en nageleefd. Ik ben het aan de waarheid en aan de ver-
diende achting voor de onderwijzers verschuldigd, dit open-
lijk te erkennen. Na de laatste rede van den heer de
groot kwam er ééne enkele klagte; ik wil daarmede niet
(1) Rede te Groningen, Voorberigt, bl. IV. De Schrijver kon ook hier
wel bijgevoegd hebben, dat de Minister in éénen adem opmerkte: „Maar
hier doe ik met vrijmoedigheid een beroep op de praetijk, en het is juist in
de quaestie van het onderwijs , dat dit beroep de meeste waarde heeft," enz.