Boekgegevens
Titel: De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Auteur: Blaupot ten Cate, Steven
Uitgave: Groningen: K. de Waard, 1862
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 B 46\1\3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203709
Onderwerp: Onderwijs: onderwijsbeleid op macroniveau: overige
Trefwoord: Hofstede de Groot, P., Onderwijsinspectie, Juridische aspecten, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Vorige scan Volgende scanScanned page
18
meerderheid der Kamer was het met de Eegering eens.
Nu kwamen de adressen en volgde de aftreding van het
Ministerie. Het voorschrift: „ opleiding tot alle Christe-
lijke deugden/' kwam in het ontwerp. Wat de Israëliteu
betreft, merkte een deel der Kamer op, dat de Staat een
beginsel behoort aan te nemen, voor de geheele natie pas-
sende: de openbare school dienstbaar te maken aan de
bevordering van Christelijke deugd, zonder van eenig stellig
leerbegrip uit te gaan. Daarop wordt nog aangehaald het
gevoelen van eene kleine minderheid en de erkenning van
den Minister, dat de toelating van Israëliten groote moei-
jelijkheden opleverde in tlieorie en dat het dus op de
praktijk aankomt.
Deze aanhalingen bewijzen wel niet veel voor de gevoe-
lens van den heer de giioot, maar ook als ik ze als zoo-
danig beschouw, dan vordert toch de onpartijdigheid, niet
te verzwijgen, wat twee Ministers den 1 en 2 Julij bij de
discussiën hebben gezegd, en juist daarom sprak ik bij die
feestelijke gelegenheid te Groninyen met een enkel woord
er van, dat men ook wel andere plaatsen zou kunnen aan-
halen. Ik kon er meer bijvoegen, b. v. wat over het toe-
staan van dat voorschrift: „ opleiding tot alle Christelijke
deugden," ook in de Afdeelingen nog anders is gezegd en
opgenomen in het voorloopig Verslag, maar ik houd dit
voor als nog niet noodig. Ik laat echter aan de onpartij-
dige overweging van ieder over, waarom de heer de ghooï
geene melding heeft gemaakt, ook zelfs later in de Uit-
treksels niet, van deze uitspraken der Ministers van ]3in-
nenlandsche Zaken (de heer van eappabd) en van Justitie
(de heer van der brugghen) ? En toch had Idj daartoe
eene aanleiding bij zijne mededeelingen op bladz. 49 enz.
van de rede te Groningen. Daar heeft hij waarheid mede-
gedeeld, maar niet alle waarheid. Ik zal de gezegden uit
het verband moeten aanvullen.