Boekgegevens
Titel: De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Auteur: Blaupot ten Cate, Steven
Uitgave: Groningen: K. de Waard, 1862
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 B 46\1\3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203709
Onderwerp: Onderwijs: onderwijsbeleid op macroniveau: overige
Trefwoord: Hofstede de Groot, P., Onderwijsinspectie, Juridische aspecten, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Vorige scan Volgende scanScanned page
17
wet; — art. -ZS is het allerbeste deel der wet, maar is on-
uitvoerbaar; — voor de Israëliten wordt in 1856 een klein
bij-artikel uitgevonden, meer km de Staat niet doen, maar
later moeten zij van de Christen-kinderen gescheiden wor-
den; — de wet is goed, ah zij maar wordt opgemlgd,
maar indien de Israëliten niet gescheiden worden „wie kan
dan het raadsel oplossen — voor als nog oplossen —■ ooit
oplossen," de opleiding tot alle Christelijke deugden? —
de onderwijzers zullen niet catechiseren maar verhalen, en
zonder uitlegging worden zelfs de Bijbelsche geschiedverhar
len en spreuken moeijelijk verstaaii; — men zal splitsen
tusschen Christenen en Israëliten, maar men blijft het ant-
woord schuldig op de vraag: hoe het moet met Christenen
onderling, van hoogst verschillende rigting en begrippen; —
men wil de Israëliten afscheiden , maar men stapt over het
bezwaar van de Grondv.et heen.
Na deze resumtie komt het mij eigenlijk voor, dat ik mij
met de plaatsen, uit de gewisselde stukken en discussiën
tusschen Regering en Tweede Kamer door den heer de
groot aangehaald, niet veel heb op te houden. De geest
van het geheele betoog met die aangehaalde plaatsen, in de
Feestrede te Grmiugen, is de volgende. In het ontwerp
van 1854 had de Eegering het voorschrift: „ opleiding tot
Christelijke deugden," weggelaten. De meerderheid van de
Kamer was toen niet ingenomen met het stelsel, om aan-
kweeking van deugd en godsdienst te doen plaats hebben,
zonder te wijzen op waarheden, waaromtrent alle Christe-
lijke gezindheden het eens zijn. (1) Maar de Eegering nam
ook in 1855 het gemelde voorschrift niet o]) en de gröote
(1) De geachte Spreker had er bij kunnen voegen, wat onmiddellijk
daarop volgt: „ dat een zeer veel grooter aantal leden (dan die meerderheid)
zich heeft verklaard tegen het denkbeeld, om openbare scholen toe te laten,
waar het onderwijs op de leerbegrippen van een bepaald kerkgenootschap is
gegrond." Zie Foorloopig Verslag van Mei 1855, bladz. 19. Wij krijgen
dat later in de Vittrekseh, bl. 38.
r
N^-^sr'ardscli SQiioo!mu *um
i r;in-sng:3c'nt 151 bi) cio Prirso.,straat