Boekgegevens
Titel: De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Auteur: Blaupot ten Cate, Steven
Uitgave: Groningen: K. de Waard, 1862
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 B 46\1\3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203709
Onderwerp: Onderwijs: onderwijsbeleid op macroniveau: overige
Trefwoord: Hofstede de Groot, P., Onderwijsinspectie, Juridische aspecten, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Vorige scan Volgende scanScanned page
14
kind geheel onvatbaar, en philosophische deugd ware geene
Chrktelijke deugd, welke de wet gebiedt." (1)
Yan aUe andere opmerkingen voorshands afziende, wil ik
hier alleen bijbrengen, dat ouders , die hunne kinderen ter
school laten gaan, in den regel ook wel zoo veel belang
stellen , dat zij ze ter catechisatie zullen zenden. Nu mag
ik van de predikanten en geestelijken eischen , dat deze hen
genoegzaam bekend maken met den bodem en steun der
deugd. Dan heeft het kleine kind, waarvan de heer de
groot spreekt, buiten philosophisch betoog om, ook nog
een geweten , meer teeder dan welligt van velen onzer, die
ouder zijn , gezegd kan worden. Als de onder^rijzer daarop
werkt, dan zal hij zeker niet afwijken van den bodem der
deugd, ons door den Schrijver aangegeven, en dan zal liij
met vrucht kunnen opwekken tot alle Christelijke deugden,
't Is ook een dwaalbegrip, dat juist bij voorkeur de Bij-
belsche gescliiedenis aan deze opleiding dienstbaar zij. Dat
dienstbaar maken aan Christelijke deugden wordt door de
geschiedenis alleen niet verkregen , maar wel door den ge-
heelen geest, die er heerscht in de school, met het voor-
beeld vooral van den onderwijzer, waar ik op terug zal
komen.
Maar wat het geschiedkundige op zich zelf betreft, ik
wil nog zwijgen van de tmjfelingen, die door velen tegen
liistorische punten van den Bijbel, van Genesis af, worden
opgeworpen, maar ik mag aan den hoogleeraar in de God-
geleerdheid wel de vraag onderwerpen: wat nut wilt gij
stichten met de geschiedkundige feiten en gebeurtenissen
op zich zelve, (buiten afzonderlijke voorbeelden van groote
deugdsbetrachting, zoo als ook soms in de wereldlijke ge-
schiedenis te vinden zijn,) indien gij deze geschiedenis niet
(1) Rede te Groninym, voorberigt, bl. VI.