Boekgegevens
Titel: De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Auteur: Blaupot ten Cate, Steven
Uitgave: Groningen: K. de Waard, 1862
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 B 46\1\3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203709
Onderwerp: Onderwijs: onderwijsbeleid op macroniveau: overige
Trefwoord: Hofstede de Groot, P., Onderwijsinspectie, Juridische aspecten, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Vorige scan Volgende scanScanned page
13
Want de zwarigheid , die gezocht wordt in het zamenzijn
van deze (1), blijft dan nog in het zamenzijn van Protes-
tanten en Koomsch-Catholijken, ja, van de meeste Protes-
tanten onderling. Als gij reclameert eene scheiding tusschen
de eersten, dan heb ik evenveel grond, om eene splitsing
tusschen Protestanten en Koomsch-Catholijken te verlangen.
Als gij uit den Bijbel laat verhalen of uitleggen , (en er is
geen grens te trekken , wat wel of niet als geschiedenis te
verhalen of uit te leggen valt,) dan vindiceer ik met het-
zelfde regt splitsing in scholen voor alle gezindten. Ook
dit is dan niet genoeg. Stel, ik ben van de moderne rig-
ting. Dan verzoek ik u, weg te blijven in uwen regtzin-
nigen geest met uwe verhalen van jezüs wonder-geboorte,
opstanding, enz., of ik wijs u op het 2e lid van art. 23.
Stel, ik ben niet van die moderne rigting, maar de onder-
wijzer is het wèl. Dan verzoek ik evenzeer, dat hij zich
van de geringste uitlegging onthoudt, of ik zal protesteren,
op grond van diezelfde alinea. Dan zoudt gij, Gemeente-
Besturen ! evenveel openbare scholen moeten stichten, als
er godsdienstige rigtingen in uwe burgerlijke gemeente zijn.
Niet maar voor elk Kerkgenootschap eene school, maar voor elke
rigting; want de onderwijzer mag, volgens diezelfde alinea,
door den heer de groot zulk een gelukkig bijvoegsel ge-
noemd, (zooals ze ook wezenlijk is,) niets leeren, doen of
toelaten , wat strijdig is met den eerbied, verschuldigd aan
de godsdienstige begrippen, niet enkel van een geheel Kerk-
genootschap , maar van anders denkenden.
De heer de groot zegt ook : „ zedelijkheid is op zich
zelve niet mogelijk ; zij moet eenen bodem hebben ; deugd
moet ergens op steunen ; mag het niet op een dogmatisch-
godsdienstig fundament, dan blijft er niet over behalve een
historisch; want voor pliilosopMsch betoog is het kleine
(1) Rede te Winsum, bl. 14, 15; te Groningen, bl. 62—64.