Boekgegevens
Titel: De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Auteur: Blaupot ten Cate, Steven
Uitgave: Groningen: K. de Waard, 1862
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 B 46\1\3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203709
Onderwerp: Onderwijs: onderwijsbeleid op macroniveau: overige
Trefwoord: Hofstede de Groot, P., Onderwijsinspectie, Juridische aspecten, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Vorige scan Volgende scanScanned page
12
iemand, behoort buiten de school te blijven." (1) Hij vhidt
het zelfs gelukkig, dat de wetgever het 'Ze lid van art. 23
er heeft bijgevoegd: „want door onze scholen tot catechi-
saties te maken , zouden zij in den grond worden bedorven."
Ik herhaal de vraag, of hij nu niet zelf de ondei-wijzers
tusschen de leden van art. 23 in de klem zet?
Ontgaat men de moeijelijkheid, als men zegt: de onder-
wijzers zullen laten lezen, des noods of bij gelegenheid ook
verhalen, maar niet uitleggen, wat er in den Bijbel staat?
Onderstel, dat men van jezus geboorte, opstanding, enz.
zonder eigen opvatting of uitlegging verhalen kan, er moet
wel, volgons den heer de groot zeiven , uitlegging bijkomen;
en uitleggen, leeren, is dat geen deel van 't catechiseren ?
„ Ach, ik, zoon dezer eeuw, ik weet, zoo zegt hij, hoe
zwaar het mij viel, die lange antwoorden van den catecliis-
mus van buiten te leeren, welke ik zoo gaarne wilde en
niet konde begrijpen !" En nu verder : „ Zelfs de Bijbelsche
geschied-verhalen en spreuken werden moeijelijk verstaan,
want het onthrah aan uitlegging." (2) Waarlijk, als ik onder-
wijzer was , dan zou ik mij door deze tegenstellingen van
den Spreker niet op een duidelijken weg zien gebragt.
Die zwarigheid wordt geenszins opgeheven, al splitst gij
de openbare school in eene Christelijke en Israëlitische.
(1) Éede te Groningen, voorberigt, bl. V. Ik moet in deze noot iets
laten volgen, wat ik in dc-n tekst bijkans niet durf plaatsen, om de moeije-
lijkheden en inconsequentiën, die ik meen aan te treffen, niet te vermeer-
deren met eene ongerijmdheid. Zooals wij boven zagen, zeide de heer de
gkoot in zijn voorberigt (1 Dee. 1861): „geen godsdienst- of godsdiensüg-
onderwijs." En den 28 Dee. 1861 zou hij in zijne „ Afscheidsrede aan on-
derwijzers," volgens de Banier, no. 9, betuigd hebben: „zal het woord
Christelijk, in de wet uitgedrukt, geen ijdele klank zijn, dan moet Gods-
dienstig onderwijs gegeven worden; waar is nu de grens van het verhodene
en die van het geladene Ik onderstreep hier de woorden, zoo als ik ze
gevonden heb. Het valt echter moeijelijk, te gelooven , dat ze gesproken zijn.
(2) Rede te Winsum, bladz. 7.