Boekgegevens
Titel: De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Auteur: Blaupot ten Cate, Steven
Uitgave: Groningen: K. de Waard, 1862
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 B 46\1\3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203709
Onderwerp: Onderwijs: onderwijsbeleid op macroniveau: overige
Trefwoord: Hofstede de Groot, P., Onderwijsinspectie, Juridische aspecten, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Vorige scan Volgende scanScanned page
10
te plaatsen, alsof de opleiding tot Christelijke deugden in
de lagere school niet anders kan geschieden dan door het
lezen in de Bijbelsche geschiedenis. En als dit laatste niet
op den voorgrond wordt gesteld, mag men dan terstond
daaruit besluiten: nu is het onderwijs niet Christelijk? Nu
hebben wij niet meer in de openbare school eene opleiding
tot Christelijke deugden?
De heer de groot betuigt: „ik heb gedurende het vierde
eener eeuw gestreden gelijk tegen kerkelijk en dogmatisch,
zoomede tegen niet-Christehjk onderwijs; gestreden voor ver-
standige ontwikkeling en algemeen-Christehjk-zedelijke op-
leiding en zal dit blijven doen." (1) Ik kan mij dit voor-
stellen; dies te beter, indien alles geheel heeft kunnen
blijven buiten kerkelijk en dogmatisch gebied. Ook schijnt
de Spreker zijn bijval te schenken aan de Nederlandscke
Commissie voor Christelijk onderwijs, die aan de schooljeugd
onderrigt wenscht gegeven te hebben: „ a. in de Bijbelsche
geschiedenissen; h. ui de Vaderlandsche geschiedenis, bij-
zonder in zooverre de vestiging der vrije Kepubliek door
de Hervormhig in den SOjarigen strijd betreft; c. in het
kerkgezang, en d. in het gebruik des Bijbels; — in de
scholen, waar zulks kan: waar dit niet kan, op andere
wijzen." (2)
Nu zie ik mij hier wel de leerstof aangegeven, (daarge-
laten de vraag, waar het al kan of niet kan ,) maar zal
de heer de groot niet zelf met de ontvouwing van de
leerstof in moeijelijkheden kunnen geraken, als hij zegt:
„ geeft onderwijs in de Bijbelsche Geschiedenissen ; verhaalt
bij de hooge feesten Jezus geboorte, opstanding, hemel-
vaart, kerkstichting; laat hen opstellen daarover maken ,
liederen daarover zingen ?" Ik meen, juist dan, als hij
(1) Kede te Groaingen, bl. 30.
(2) Kede te irinsum, bl. 23.