Boekgegevens
Titel: De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Auteur: Blaupot ten Cate, Steven
Uitgave: Groningen: K. de Waard, 1862
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 B 46\1\3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203709
Onderwerp: Onderwijs: onderwijsbeleid op macroniveau: overige
Trefwoord: Hofstede de Groot, P., Onderwijsinspectie, Juridische aspecten, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Vorige scan Volgende scanScanned page
tale zameiiwonen, voor lien alleen worden geliouden." Ter-
wijl verder gezegd wordt: „door deze bepaling zou alleen
het bestaande worden gewettigd, aan de behoeften der Is-
raëliten worden voldaan, zoo veel den Staat mogelijk is, en
de algemeene Christelijke strekking van het gewoon lager
onder^njs (art. 21) voldoende zijn gewaarborgd, enz. Wij
meenen dus, dat de wetgeving door een art. als het voor-
gestelde aan aller billijke wenschen, voor zoo veel zij kan,
zal voldoen." (1)
Hier verneemt men niets van eene splitsing tusschen
openbare scholen voor Christenen en Israëliten, maar wel,
dat de wetge\äng met zulk een art. zoo ver zou gaan, ah
zij kan. Is het, omdat men kans meende te zien, dat het
volgend ]\Iinisterie verder kon gaan, dan den Staat moge-
lijk in, dat er in Mei 1857 een adres van dezelfde zijde
kwam, om de openbare scholen in Christelijke en Israeli-
tische te splitsen?
Ook nu lacht die splitsing den heer de groot zeer toe,
blijkens de beide Feestreden. Het Christelijke kan zich
dan beter ontwikkelen. Maar wat is dat Christelijke? Hoe
ver zal dat gaan? Het antwoord is: „Christelijke deug-
den, maar deze moeten een grond hebben." (2) Maar tot
hoe ver wil men dien grond, ook maar alleen op liistoriscli
gebied, zoeken? Hier stuit ik, ook bij den heer de groot
zeiven. Zonder eenigzins te denken aan eenige arrière pen-
see, moet ik toch gelooven, dat wij spoedig op kerkehjk-
leersteUig gebied zouden geraken. Ik zal mijn gevoelen
nader ontwikkelen. Vooraf verzoek ik, wèl te willen be-
grijpen, dat ik er niet vóór ben, om de Bijbelsche ge-
schiedenis geheel van de lagere school te verbannen; maar
dat ik niet goedkeur, om deze zóó geheel op den voorgrond
(1.) Bijblad 1856—1857, bl. 1086.
(2) Rede te Gromngen, voorberigt, bl. VI.