Boekgegevens
Titel: Parijs in Amerika
Auteur: Laboulaye, Édouard René Lefebvre; Falkland, Samuel
Uitgave: Rotterdam: Nijgh, 1864
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: PK 69-50
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203708
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Parijs in Amerika
Vorige scan Volgende scanScanned page
145
Tïieer omzigtigheid vereischt dan dat der jagers. De justitie
is, onder een anderen naam, niets anders dan de maatschappij,
die op hare beurt moeder is van al hare kinderen; zoolang
haar kind niet veroordeeld is, gelooft zij aan zijne on-
schuld. Dat moederlijk vertrouwen is geen ijdel woord;
het is eene werkdadige teederheid, die den beschuldigde
voortdurend beschermt en staande houdt. Gij gelooft mis-
schien dat het de jury is die den schuldige straft—, maar
daarin bedriegt gij u in zeker opzigt. De instructie van
ieder proces heeft bij ons op zulk eene uitgebreide, vrij-
ziimige en edelmoedige wijze plaats, dat het in de meeste
gevallen de schuldige zelf is, die het hoofd buigt en straf-
fen vraagt, om boete te doeiï voor hetgeen hij misdreef.
Woon maar eens de teregtzittingen bij van ons hof van
assises en gij znlt zien, dat hetgeen den beschuldigde het
meest ontwapent, juist de zachtzinnigheid en welwillend-
heid is, waarmede men hem bejegent. En dat ligt ook in
de menschelijke natuur. Heftig aangevallen, gevoelt men
zich tot verdediging aangespoord; tegenover hoon stelt
men beleediging; toorn en gramschap schenken den misda-
diger even zoo goed dubbele kracht als den eerlijken man.
Niets daarentegen wat den misdadifrer meer schrik inboe-
O Ö
zemt, dan wanneer hij zich tegenover den president eener
regtbank bevindt, die hem in bescherming neemt, en van
eene jury, die welwillend naar hem luistert. Meestendeels
komt hij er dan van zelf toe om schuld te bekennen, of hij
neemt een hardnekkig stilzwijgen in acht, dat met eene
bekentenis gelijk staat. De onschuld alléén weet zich te
verdedigen, waar zij uitsluitend staat tegenover schijnbaar
verj)letterende feiten. Wilt gij derhalve in onze w^etten
zwakheid noemt, is juist haar deugd en schoonheid."
//Ik begrijp geen enkel w^oord van uwe hersenschim-
mige philantrophie! Het is niet op die wijs dat men regt
spreekt in....."
//In Kharkoff, bij de kozakken^ Dat wil ik ook wel
gelooven! Dat zijn daar geen Christenen!"
//Het zijn niet minder goede Christenen dan gij en ik,
maar....."
10