Boekgegevens
Titel: Parijs in Amerika
Auteur: Laboulaye, Édouard René Lefebvre; Falkland, Samuel
Uitgave: Rotterdam: Nijgh, 1864
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: PK 69-50
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203708
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Parijs in Amerika
Vorige scan Volgende scanScanned page
142
antwoordelijkheid ? En wanneer liet vonnis onregtvaar-
dig of wreed is, wien zal de openbare meening daarvoor
verantwoordelijk stellen?"
//En dan de jury? die neemt gij dan toch aan?'"
//Ik wilde n juist op de jury wijzen. In Amerika re-
geert de meerderheid in alle zaken; het aantal schrijft
steeds de wet voor; het regt alléén maakt daarop eene
uitzondering. Indien slechts één lid der jury zich tegen
den wil der meerderheid aankant, dan kan zij den he-
schuldigde noch de eer noch het leven ontnemen. En
van waar komt dit? Omdat hier geen rekenkunstig, maar
een zedelijk vraagstuk moet opgelost worden —, omdat
die ééne stem, die vrijspreekt, misschien meer gelijk
heeft dan de andere elf, die het schuldig uitspreken. De
wetgever eischt van de jury dan ook geen meerderheid,
maar eenstemmigheid. Hij verlangt geen in twaalf dee-
len gesplitste verantwoordelijkheid, hij verlangt één ge-
heel of twaalf verantwoordelijkheden. Het gronddenk-
beeld blijft derhalve hetzelfde."
Die argumentatie bevreemdde mij; ik verkeerde altijd
in de meening dat de eenstemmigheid, die van de jury
gevorderd wordt, een dier overblijfselen was van de
barbaarsche middeneeuwen, w^aardoor v\ij Franschen, nog
in de negentiende eeuw eene goede gelegenheid had-
den om ons ten koste van Engeland te vermaken.
Het speet me waarlijk dat Humbug mij de zaak van
eene geheel andere zijde had leeren kennen.
Daar ontstond plotseling een golving onder het audi-
torium dat zich haastte om plaats te maken voor iemand,
die natuurlijk een man van aanzien moest zijn, en in
wien we weldra den bankier Little herkenden. Hij trad
majestueus nader met opgeheven hoofde, de oogen half
gesloten en alzoo niemand in het aangezigt kijkende.
Achter hem dreven twee policemen een man voor
zich uit van een opmerkelijk lange gestalte, vreeselijk
mager, met ingevallen, verbleekte wangen en oogen, die
als kolen vuur gloeiden —, in één woord, het voorko-
men van iemand die zijn leven op een kaart gezet en