Boekgegevens
Titel: Parijs in Amerika
Auteur: Laboulaye, Édouard René Lefebvre; Falkland, Samuel
Uitgave: Rotterdam: Nijgh, 1864
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: PK 69-50
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203708
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Parijs in Amerika
Vorige scan Volgende scanScanned page
4
vergenoegen, dat te diepzinnig was om begrijpelijk te zijn.
Hierna werd de geest van Kosciusko opgeroepen. Hij
fluisterde Jonathan in het oor (deze althans schreef
het op):
In Servitute dolor!
In libertate labor!
Driemaal stelden wij dezen Poolschen Washington de
meest gewigtige vragen; hij antwoordde onverzettelijk
met dezelfde Latijnsche spreuk. Al hadden wij hem
geworgd, hij zoude niets anders gezegd hebben.
Het laatste strookje papier dat uit den hoed te voor-
schijn kwam, eischte, dat de geesten van Don Quichotte,
Tom Jones, Robinson en Werther zouden opgeroepen
worden. Het auditorium lachte. Tot mijn schande moet
ik bekennen, dat ik degeen was, die zich aan deze
impertinentie schuldig had gemaakt. Dooden en levenden
vervelen mij sedert lang zoo allergeweldigst, dat ik
er een genoegen in gevonden zoude hebben te weten
wat in de heisenen omging van lieden, die nooit bestaan
hebben.
Jonathan Dream wierp het papier zonder te blikken of
te bloozen in den snippermand, verklaarde dat de scéance
geëindigd was en begeleidde ons met tal van diepe bui-
gingen naar de deur.
Toen ik op het punt was den drempel te overschrijden,
gaf Jonathan mij een tikje op den schouder en verzocht
mij nog een poosje te blijven. Daarop sloot hij de deur
en zich plotseling tot mij wendende, zeide hij, terwijl
een eigenaardig, onbeschrijfelijk lachje om zijne dunne
lippen speelde:
— Niemand dan gij waart het, confrère, die eene vraag
gedaan hebt, welke de profanen, die ik weggezonden heb,
als eene onbescheidenheid beschouwen. Misschien zijt gij
zelf overtuigd, dat in uwe vraag niets dan eene bittere
spotternij kan opgesloten liggen. Dwaas! die nooit de
eeuwige waarheid hebt trachten te doorgronden! Verbeeldt
gij u dan waarlijk, dat Don Quichotte met Sancho, Ro-