Boekgegevens
Titel: Parijs in Amerika
Auteur: Laboulaye, Édouard René Lefebvre; Falkland, Samuel
Uitgave: Rotterdam: Nijgh, 1864
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: PK 69-50
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203708
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Parijs in Amerika
Vorige scan Volgende scanScanned page
102
//Ik weet niet wat te zeggen," fluisterde de schuwe
duif: //Ik heb altijtl getracht om aan al mijne broeders
een goed hart toe te diagen; ma«ir in dit gewigtig uur
mag ik het niet ontveinzen, dat ik, zoo dikwerf ik mij
rekenschap van mijne gevoelens afvorderde, moest be-
kennen, dat gij mij meer dan eenig ander bezig hieldt."
Dat was eene bekentenis! Seth althans was die meening
toegedaan; ik zag hoe hij de kuische Martha naar zich
toetrok en hoorde de kus der verloving met een kracht
klinken, die ik achter den schüchteren kwaker niet had
gezocht, — toen Martha plotseling een ijselijken gil slaakte
en tegelijk op de bank sprong Een reusachtige hond,
een New-Foundlander, had zich on\erhoeds tusschen de
twee gelieven geworpen. Ik vloog overeind en ontdekte
Zambo in de verte; de deugniet stond te schudden van
het lagchen. Klaarblijkelijk was hij het, die, om zich te
wreken over de bestraffing, die hij kort te voren van
Martha had ondergaan, den hond op het kozend paartje
hatl aangehitst.
Men weet, dat ik met den kwaker gansch in'et inge-
nomen was, maar tegen wil en dank boezemde mij op
dezen oogenblik zijne koelbloedigheid en zachtzinnigheid
de hoogste achting in. In plaats van bevreesdlieid aan
den dag te leggen, sprak hij het dier vriendelijk toe en
bood het iets, wat hij uit den zak haalde, te eten aan;
de hond liet zich de lekkernij goed smaken en gedoogde
daarna zelfs, dat Seth hem streelde en liefkoosde.
//Vriend," zei hij, tegen den hond sprekende: //gij hebt
mij gestoord op het aangenaamste oogenblik, dat ik tot
dus ver in dit ondermaansche mögt beleven. Ware een
ander in mijne plaats geweest, hij zou u geslagen, welligt
gedood hebben en hij ware volkomen in zijn regt geweest.
Tot uw geluk hebt gij evenwel met mij te doen en uwe
eenige straf zal wezen, dat ik u een leelijkeu naam zal
geven."
Daarop haalde hij andermaal iets uit den zak en lokte
het dier, dat vriendelijk tegen hem opsprong, naar het
hek, dat den tuin van de openbare straat scheidde, dreef