Boekgegevens
Titel: Vertellingen en rijmen voor knapen en meisjes
Auteur: Bouwmeester, J.C.
Uitgave: Doetinchem: C. Misset, 1889
Opmerking: III. Op reis
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5915
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203676
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vertellingen en rijmen voor knapen en meisjes
Vorige scan Volgende scanScanned page
OP EEIS. 47
tenlucht is blootgesteld geweest, wordt zij hard, waarom zij
Yoor bouwmateriaal uitmuntend geschikt is.
„Ziet," zegt de gids, „die dikke, diepe gleuven en zwarte
strepen op verschillende hoogte langs de wanden zijn ver-
oorzaakt door de assen van de raderen der wagens, welke
met steen beladen, daar langs schuurden. Telkens is men
dus een Meter dieper gaan uithouwen. Nu, dat kan men doen
zoolang men goede steen verkrijgt. Naar boven evenwel mag
men niet verder gaan, dan de mijningenieur toestaat, en
boven ons hoofd bevindt zich nu ook nog ongeveer 180 voet
steen en 20 voet aarde."
Al pratende komen wij van gang in gang, en kunnen wij
op sommige punten drie, vier en vijf gangen inzien, voor
zooverre ons het geheimzinnige duister zulks niet belet. De
gids vertelt ons, dat hij van jongsaf zich op het vinden van
den weg heeft toegelegd, en dat niemand in dien doolhof van
gangen den weg zou kunnen vinden.
Hij brengt ons dan ook gedurende onze onderaardsche
wandehng op eene plaats, waarop vier monniken van het
klooster Sla vanten jammerlijk omkwamen. Zij hadden zon-
der gids zich met een lang touw in den berg begeven. Dat
touw schijnt gebroken of losgeraakt te zijn, en daardoor heb-
ben zij den ingang niet weer kunnen vinden. Geen wonder
in zulk een doolhof!
Terwijl wij nu eens over steenbrokken klauteren, dan naar
boven of "beneden onzen weg vervolgen, vestigt de gids onze
aandacht op de duizenden namen, waarmede de muren van
boven tot beneden beschreven zijn. Ook wij moeten onzen
naam met zijn rood krijt op een blank geschrapt plaatsje
schrijven. Het rijmpje zegt wel: „Gekken en dwazen, schrij-
ven hun namen op deuren en glazen," maar er is hier