Boekgegevens
Titel: Vertellingen en rijmen voor knapen en meisjes
Auteur: Bouwmeester, J.C.
Uitgave: Doetinchem: C. Misset, 1889
Opmerking: III. Op reis
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5915
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203676
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vertellingen en rijmen voor knapen en meisjes
Vorige scan Volgende scanScanned page
OP REIS.
51
wy, en wij sluiten de raampjes voor de kiliieid, welke met
steenkolendamp naar binnen stroomt. Weet gij nu, waarom
wij met licht de reis begonnen? En het duurt vrij lang ook.
Eeeds drie minuten. Daar stonden een vijftal wegwerkers
met la,ntarens tegen den muur geleund. De locomotief fluit,
alsof het eene triomfkreet is, nu zij het daglicht weder aan-
schouwen mag, en wij juichen mede, want in dien tunnel
beviel het ons maar half. Die reizen wil, hoopt evenwel wat
vreemds te zien, anders kan hij wel bij Moeders pappot blij-
ven, en wij hebben nu een denkbeeld van een tunnel ge-
kregen. Zoo zullen andere tunnels wel in het groot zijn.
Voort gaat het immer, immer voort. Duren, Buir, Es-
weiler roept de conducteur, en voort gaat het telkens weder,
langs tal van fabrieken, steenbakkerijen, glasblazerijen vooral
van Stolberg, langs heuvels met prachtige sloten, bosschen,
nog een paar maal door tunnels, tot wij te Aken stilstaan.
Willen wij hier een paar treinen over blijven ? Het is ruim
elf ure. Straks dan maar weder verder. Wat zegt gij? Gij
verlangt Maastricht te zien? Geduld maar; wij hebben nog
tijd genoeg; Keulen en Aken zijn ook op één dag niet ge-
bouwd. Nu, dat kunnen wy bij den eersten oogopslag reeds
zien, want Aken is eene aanzienlijke plaats. Nauwelijks zijn
wij buiten het station, of in het plantsoen valt ons oog al
dadelijk op het groote gedenkteeken voor de gevallen krijgers
in den oorlog van '71 in denzelfden geest, als dat wij te
Keulen op het kerkhof zagen prijken. Ziet gij wel, dat wij
hier aanmerkelijk hooger staan dan gindsche huizen liggen.
De straten loopen met eene sterke helling naar beneden. Als
wij ons naar den linkerkant begeven, om eene schoone
wandeling te doen, zouden wij bespeuren, dat wij ons op de
oude bolwerken van de stad bevinden. Prachtig zijn de ver-