Boekgegevens
Titel: Vertellingen en rijmen voor knapen en meisjes
Auteur: Bouwmeester, J.C.
Uitgave: Doetinchem: C. Misset, 1889
Opmerking: III. Op reis
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5915
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203676
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vertellingen en rijmen voor knapen en meisjes
Vorige scan Volgende scanScanned page
20
OP BEIS.
heldere zonlicht in de warme buitenlucht staan. Wij begeven
ons weder naar den koepel, koopen er voor veel geld een
klein aandenken, bestaande in een stukje druipsteen uit de
grot, en keeren met den eerstkomenden trein weder naar
Hagen terug.
Hebt gij de kaart bij de hand, lezers? Wij gaan parallel
aan onze eerstgevolgde oostelijke richting, iets zuidelijker
naar het westen terug. Waarom wij Hagen niet gaan bezien ?
Gij weet onze afspraak. Daarenboven zouden wij niet veel
meer dan eene zeer bedrijvige, niet zeer groote fabrieksstad
zien, met ongeveer 9000 zielen.
Zie zoo, daar gaan wij al weder. Waar die knop voor dient,
welke gij aan den wand van de andere wagens ook reeds
opgemerkt hebt? Wel, als gij die naar rechts of links draait,
ontvangt de machinist een teeken van alarm. Hij weet, dat
er iets niet in den haak is, en stopt. Tot dat zelfde doel is
ook het lange touw boven de wagens aangebracht, dat eindigt
bij den machinist. Raakt er voor de grap maar niet aan, want
dan zoudt gij zware boete kunnen oploopen. Denkt er om, dat
vrij in Pruisen zijn, waar men zoo heel gemakkelijk niet is.
In ons land is die veiligheidsmaatregel nu ook in gebruik.
„Doen de jongelui, een pleizierreisje ?" vraagt een gezet
heer met blozend gelaat, terwijl hij ons allen monstert, in
zijn zangerig Duitsch. — „Ja Mijnheer," antwoorden wij in
ons gebroken Duitsch. En nauwelijks heeft hy niet vernomen,
dat wij beter met Hollandsch dan met zijne moedertaal uit
den weg kunnen komen, of hij vertelt ons in gebroken Hol-
landsch, dat wij ons gerust van onze moedertaal mogen be-
dienen, want dat men in deze streken het Nederlandsch
vrij wel verstaat. Uiterst vriendelijk en opgeruimd roept hij ons
nu voor het raampje hier, dan aan dat ginds, om toch voor-