Boekgegevens
Titel: Vertellingen en rijmen voor knapen en meisjes
Auteur: Bouwmeester, J.C.
Uitgave: Doetinchem: C. Misset, 1889
Opmerking: III. Op reis
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5915
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203676
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vertellingen en rijmen voor knapen en meisjes
Vorige scan Volgende scanScanned page
OP EEIS. 19
Onze gids wijst ons op de draperieën langs de wanden,
die zoo hard als ijzer, zoo doorzichtig als kristal, met het
schoonste kantwerk wedyveren. Hoort, hij klopt tegen de
verschillende plooien, en onderscheidene welluidende tonen
weerklinken in de doodsche stüte. Hij geleidt ons verder naar
eene kleine brug over een water gelegd, waarin wij voort-
durend het druppelen kunnen hooren, en nu wijst hij ons
achtereenvolgend op merkwaardige vormen, welke de druip-
steen aangenomen heeft.
Hier staan een witte olifant en een ijsbeer als gebeeld-
houwd, een tred verder zit een dwerg op een paal; aan den
wand en tegen het gewelf hechten vlinders, welke men er zou
willen afnemen, met doorschijnende vleugels. Verder wijst
de gids ons, altoos steunende op onze verbeeldingskracht,
op eene optocht van geestelijken, welke uit eene kapel trek-
ken, welke daarnaast gevonden wordt. Wij moeten eenige
trappen op, langs een ijzeren leuning afdalen, waardoor wij
voor eene reusachtige, door de natuur gevormde kom geleid
worden, op welks rand een kolossale schildpad gekropen
schijnt. Nog vraagt hij onze oplettendheid voor eene groote
mosselschelp, voor eenige appel-, palm- en denneboomen,
waarna hij ons op eenigen afstand voor een reusachtig kerk-
orgel plaatst, waarop het licht zijn eigenaardig schijnsel
werpt, en waaraan eene massa grooter en kleiner pijpen in
geregelde volgorde op te merken zijn. Meer naar den achter-
grond staren wij vol verbazing op eene ontzettend groote harp
van fijne druipsteendraden, over welker snaren eene reuzen-
hand zóó ligt uitgestrekt, dat het schijnt of het instrument
zoo aanstonds bespeeld zal worden. Dit laatste schouwspel
heeft diepen indruk op ons gemaakt, en eenigszins vreemd
is het voor ons, als wij een oogenblik later opeens in het