Boekgegevens
Titel: Vertellingen en rijmen voor knapen en meisjes
Auteur: Bouwmeester, J.C.
Uitgave: Doetinchem: C. Misset, 1889
Opmerking: III. Op reis
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5915
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203676
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vertellingen en rijmen voor knapen en meisjes
Vorige scan Volgende scanScanned page
18 OP EEI3.
in het jaar 1871. Een fransche kogel nam hem mede. Nu,
zulke invalieden loopen er wel meer rond. Als onze gids ons
alles goed laat zien, zuUen wij hem eene goede fooi in han-
den stoppen.
„Ja, jonge dames, doet u de doekjes maar om, en heeren,
zet den kraag maar op; 't is koud in de grot."
Met deze woorden ontsluit hij met een fameus grooten
sleutel eene breede deur, waardoor wij de werkelijk kille
grot binnengaan, waar een flauw schemerlicht heerscht,
waaraan onze oogen eerst een weinig gewennen moeten.
"Waarlijk een heel verschU! Zoo uit de heldere Augustuszon
in het duister onder den grond!
Bij het binnentreden vertelt de gids, dat deze grot voor
eenige jaren eerst gevonden werd by het aanleggen van den
spoorweg, en dat zij door de spoorwegmaatschappij onder-
houden en ter^bezichtiging gesteld wordt.
Langs den grond loopt eene gaslichtleiding en de gasvlam-
men branden op die punten, welke het meest geschikt zijn,
om enkele gedeelten van de grot schoon te doen uitkomen.
De gids voert ons van den Keizers- naar de Koningshalle,
en toont ons daar eene menigte reusachtige pyramiden en
zuilen aan, welke langzamerhand ontstaan zijn uit het voort-
durend druppelen van kalkwater, dat zich uit het gewelf af-
scheidt, en, waar het nederkomt, langzamerhand versteent.
Even als bij vriezend weder de ijspegels aan het dak hoe
langer hoe dikker worden, zoo hebben zich ook hier aan het
geheele gewelf reusachtige pegels gevormd. Zooals zij daar
met de punt naar beneden hangen, zien wij ze daar juist
onder met de punt naar boven staan, alsof ze zich naar el-
kander uitrekken. Eenmaal zullen zij werkelijk vereenigd zijn
en eene zuil vormen, als die andere daar.