Boekgegevens
Titel: Vertellingen en rijmen voor knapen en meisjes
Auteur: Bouwmeester, J.C.
Uitgave: Doetinchem: C. Misset, 1889
Opmerking: III. Op reis
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5915
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203676
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vertellingen en rijmen voor knapen en meisjes
Vorige scan Volgende scanScanned page
OP EEIS.
17
kaatst. Hè, dat zal opfrisschen! De wegen waren stoffig!
't Was reeds een paar dagen warm! De bergwerkers klaute-
ren naar boven of schuilen in een gat of kloof tot de bui
over is. Ziet, daar komen ze reeds weder aan; het wordt
weder helder; het zachte windje voert eene geurige frischheid
ons in het aangezicht. Daar is de trein. Instappen! naar
Iserlohn!
„Dechenhöhle aussteigen, conducteur!" waarschuwen wij.
„Richtig!" is 't wederwoord.
En wij rijden of hever kruipen al hooger en hooger tus-
schen al hooger wordende bergen, altoos tusschen fabrieken,
kolenmijnen, prachtige landschappen door, tot de trein stü-
staat, en ons in de ooren klinkt: „Dechenhöhle!"
Ziet, daar wilde ik u even heenvoeren. Dechenhöhle is
voor ons Holländers merkwaardig genoeg. Als wij later eens
grooter reizen doen, dan kunnen wij ook grootscher zaken
aanschouwen.
Deze trappen maar op! Nu zijn wij in een grootenkoepel,
van ruw hout smaakvol gemaakt, aan alle zijden met groene
ranken omslingerd. Neem plaats op deze banken. Wilt gij
een glas bier? Ik zal in deze zaal voor elk onzer een broodje
met vleesch halen, dat zal wel smaken. Tevens koop ik
voor vijfenzeventig Pfenningen voor elk een toegangskaartje
voor het hol; misschien kan ik een gezelschapskaart goed-
kooper verkrijgen. Want werkelijk wij gaan samen een hol
in. Vooruit maar! De trappen weder af, dat smaUe pad langs
en nu voor deze poort: halt!
Ziet, daar komt de man aan, die ons als gids zal gelei-
den op onzen tocht onder den grond. Hij lijkt wel een oud
militair, en zoo ik goed zie, heeft hij slechts één arm. Ja,
't is wel zoo, één heeft hij laJm-JiggeaJay—WAr^k'-efrSédfl^"
Op reis.
' -fl'l SchMirllU^SUÏÏl:
PfirR^-grsulii 151 W Piinseasiraat j
Ah/iSTE-RDAU j