Boekgegevens
Titel: Vertellingen en rijmen voor knapen en meisjes
Auteur: Bouwmeester, J.C.
Uitgave: Doetinchem: C. Misset, 1889
Opmerking: III. Op reis
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5915
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203676
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vertellingen en rijmen voor knapen en meisjes
Vorige scan Volgende scanScanned page
16
OP BEIS.
steenkool, ijzersmelterijen en reusachtige fabrieken; maar
steeds hooger worden de heuvels steeds prachtiger de vèrge-
zichten, nu wij, zooals wy uit den vertraagden gang van
den trein kunnen opmaken, al hooger en hooger klimmen.
„Station Letmathe!" Willen wij even uitstappen? Het mag
wel, en zoo aanstonds gaan wij nog een klein eindje verder.
Wat ligt dat plaatsje lief, niet waar? Zoo tusschen die
hooge kalkbergen. Ziet, daar in die bierhaJle zullen wij even
iets gebruiken, of zullen wij hot straks aan het station doen ?
Ja, dat is beter. Ziet, beneden aan die beek staan kalkbran-
derijen, en daarboven tegen die bergheUingen! Wat beweegt
zich daar? Ziet goed toe. Eenige werklieden zijn bezig met
puntige houweelen de kalksteen los te hakken. Ziet gij ze
niet? Volgt dan de lijn van het rollende gesteente, dat in
het dal dof nederploft. Ziet gij ze? Hoe zij kunnen blijven
staan tegen die berghelling ? Wel, heel eenvoudig. Zij hebben
zich met lange, sterke touwen, die aan de boomen op den
top van den berg vastgebonden zijn, gerust laten afglijden,
en kunnen een hal ven cirkel beschrijven. Zij hebben dat
touw om hun middel geknoopt.
Nu naar het station; wij moeten niet al te laat vertrek-
ken, de middag nadert reeds. Hier onder die warande vóór
de wachtkamers zit het heerlijk! En wat mooi uitzicht I Wat
is dat? Weerlicht het? Ja waarlijk, daar hangt eene bui.
Ziet, weder licht het! Het kaatst overal terug. Hoort, het
dondert! Aan alle kanten weerklinkt het. Wij hooren den
slag wel twee- drie maal. Het druppelt reeds; ziet, daar
worden de druppels menigvuldiger en dikker! Hè, de frissche
lucht voeren zij met zich. De druppels worden stralen! De
regen stuift en klettert! De donder rolt onophoudelijk aan
alle kanten, enkele slagen knetteren en worden telkens weer-