Boekgegevens
Titel: Vertellingen en rijmen voor knapen en meisjes
Auteur: Bouwmeester, J.C.
Uitgave: Doetinchem: C. Misset, 1889
Opmerking: III. Op reis
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5915
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203676
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vertellingen en rijmen voor knapen en meisjes
Vorige scan Volgende scanScanned page
OP REIS. 15
der. Wij hebben o. a. reeds hooren roepen: „Langendreer,
Witten," en nu wij hooren roepen: „Hagen! allen aussteigen !"
nu staan wij in een oogenblik op het ruime perron te mid-
den van verschillende zuchtende locomotieven. Wij gaan
de wachtkamer binnen, waarin eene groote menigte men-
schen zich beweegt, maar waar een paar honderd personen
meer of minder niet hinderlijk is. Wij wachten geduldig;
straks zal de portier, heel bedaard en duidelijk ons al de
plaatsen opnoemen, waarheen de verschillende treinen ver-
trekken. En als hij twijfelt, of wij wel op onge tellen passen,
dan komt hij ons vriendelijk vragen, waarheen wij wensch-
ten te reizen. Zij zien het aan onzen neus, geloof ik, dat
wij vreemden zijn. Xu zoo'n gezelschap Lezers en Lezeressen
van „Vertellingen en rijmen", tegelijk op reis, loopt nog al in het
oog. Overal zijn de beambten uiterst vriendelijk en voorko-
mend. Ook treffen wij nog al prettig reisgezelschap aan.
Over het algemeen is men in Duitschland heel wat spraak-
zamer op reis, dan in ons land. Gaarne wil men onze op-
merkzaamheid vestigen op hetgeen de reis merkwaardigs
aanbiedt; ieder is opgeruimd en gezellig. Niemand zal instap-
pen, of een „goeden morgen", klinkt ons te gemoet, en
niemand verlaat ons, of een „goede reis" is het afscheidswoord.
Ofschoon een ontzaggelijk groot bord, of eene beschilderde
muurvlakte ons een gemakkelijk overzicht van het vertrek
der treinen aanbiedt, hebben wij het op den portier laten
aankomen, en nu die ons waarschuwt, om in te stappen
voor: „Letmathe, Iserlohn, Cassel," maken wij ons ook
weder reisvaardig, en nemen onze zitplaatsen in.
Veel schoons hebben wij onder weg gezien, doch alles
zinkt in het niet, nu wij door schooner bergstreek voortge-
trokken worden. Altijd steenkool en ijzer, en weder ijzeren