Boekgegevens
Titel: Vertellingen en rijmen voor knapen en meisjes
Auteur: Bouwmeester, J.C.
Uitgave: Doetinchem: C. Misset, 1889
Opmerking: III. Op reis
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5915
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203676
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vertellingen en rijmen voor knapen en meisjes
Vorige scan Volgende scanScanned page
OP EEI3. 9
nemen van het kaartje ook vrat Duitsch geld bij ©ns gesto-
ken hebben, toen de beambte voor het loket op ons verzoek
wat Hollandsch voor Pruisisch inwisselde. Gij kunt er niet
mede uit den weg, en zult mij laten betalen? Welnu, daar
heb ik vrede mede; echter zult gij u de moeite moeten ge-
troosten, om het geld te leeren kennen en er mede te reke-
nen. Dat doen we nog even vóór wij opstappen. Dit zilver-
stukje ter grootte van een halven gulden heet Mark. Ziet,
hier staat de naam. Een mark heeft de waarde van zestig
cent en wordt in tien deelen, groschjes genaamd, verdeeld.
Zulk een groschen, van nikkel vervaardigd, is zoo groot
als ons kwartje en heeft eene waarde van...? Vijf groschen
is een schilling ter waarde van... ? Hij is van zilver, even
als dit stukje van 2 groschen of 12 cent, dat gemakkelijk
voor een dubbeltje kan uitgegeven worden. In ons land zijn
die muntstukken ook gangbaar in de grensgemeenten, welke
daarvoor aangewezen zijn. Dit groote zilveren geldstuk „tha-
ler" geheeten is drie mark, of. . . . gulden; dit kleine goud-
stukje is tien en dit grootere is twintig mark. Nu is een
mark 100 pfenning, dus hoeveel pfenning zouden dan de
andere geldstukken waard zijn? Ziet, dit stukje kopergeld,
dat zoo groot als onze cent is, heet tweepfenningstuk. Re-
kent nu eens uit, hoeveel pfenningen al de genoemde geld-
stukken te zamen bedragen en hoeveel Hollandsch geld dat
uitmaakt. Bravo! Nu gaan wij op den stap.
Het stadje Oberhausen levert weinig merkwaardigs op,
waarom wij ons naar buiten begeven om langs Styrum,een
schilderachtig gelegen gehucht, naar het Rührdal te wandelen.
Wi], Hollanders, maken de opmerking, dat alles er niet zeer
zindelijk uitziet. De huizen zijn bewoonbaar, doch wij zouden
ze gaarne netjes ingevoegd en geverfd zien, terwijl eene nette