Boekgegevens
Titel: Het leven en eenige uitgelezen gedichten van Mr. W. Bilderdijk naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 95/96
Auteur: Bilderdijk, Willem; Berge, N.H.Th. ten
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, ca. 1910 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1711
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203674
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het leven en eenige uitgelezen gedichten van Mr. W. Bilderdijk naar tijdsorde gerangschikt en toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 158 —
Neen, de adel van zijn ziel, zijn eerbied voor de altaren,
Zijn zucht om wel te doen, Bataafacher dan zijn Rijk.
Lees, Neerland, uw geluk in d' oogstraal van uw' Koning:
Die spreide u 't zuiverst hart, den braafsten Vorst, ten toon
Hy vergt u trouw en deugd voor kruipende eerbetooning.
En Gode 't best zijns volks voor 't flikkren van zijn kroon.
OP HET ZELEDE AFBEELDSEL.
Met palmen ven den Krijg, met Vrede- en Kunsllauwrieren,
Omvlecht zich de eedle kruin van Koning LODEWIJK.
Aan 't onbezweken hoofd dat zoo veel kransen sieren
Ontleent zijn kroon een' glans, geen' aardschen glans gelijk
Ken, Neerland, in dit beeld den redder, den behouder.
Die van uw zinkend wrak de roerpen grijpen dorst!
Uw heil doorgloeit hem 't hart en 't weegt hem op de schouder,
Ja, lees door 't minzaam oog den Vader in den Vorst.
Het verleggen van den koninklijken zetel naar Amsterdam en
de werkzaamheden aan het koninklijk Instituut aldaar noopten den
dichter naar zijne geboortestad terug te keeren, waar hem een
zevental rampvolle jaren wachtten. Schoon zijne inkomsten f 6000
beliepen, had hij in de lente van 1810 volslagen geldgebrek. En
toch werd het geld niet roekeloos verkwist:
Voor my, my lusten disch, noch spel, noch zinvermaken;
'k Heb nooit de kunst geleerd dat laffe zoet te smaken.
zingt hij in dat sombere lied van 1810, Levenspijn; en
verder:
En 't geld...? 'k Verachtte 't, ja, als wijze en mensch onwaardig;
'k Onthield den arme nooit zijne aanspraak onrechtvaardig.
Lei nooit voor morgen op, wanneer ik geven kon,
Noch zette op woeker uit het geen ik dankbaar won.
'k Wist, Christen, dat mijn deel 't gebruik niet gaat te boven,
En schrikte, aan die 't behoeft, mijn overvloed te ontroovcn;