Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
91
scherpen Noordschen wind , maar waarlijk niet kouder dan de
anderen is hij , waar het geldt Leiden en haar wetenschap te
prijzen — en dan volgt een lof, dien wij niet overschrij ■
ven , en die ons stil doet neerzien en vragen of ons land
met zijn gekibbel en partijschap die waardeering nog altijd
verdient. — Humor klinkt uit den toon der zich zeiven
niet vergetende Britten, maar het is ditmaal een humor,
die billijk voor ons tracht te zijn. Een gulle lach ontplooit
ieders gelaat, als de lersche professor der theologie, Pent-
land Mahaffy, den indruk, dien hij van Leiden kreeg,
vergelijkt bij de aandoeningen der koningin van Scheba,
toen zij Salomo in al zijn heerlijkheid en luister kwam
bezoeken : zij had geen woorden meer om zich te uiten:
het Bijbelverhaal zegt: „dat er geen geest meer in haar
was", en ditzelfde was evenzoo volkomen 't geval, wanneer
men hem moest gelooven, met den in 't Engelsch spre-
kenden en zijn hoofd thans voor den Pro-Rector sierlijk
buigenden heer Mahaffy. — Hadden de Engelschen geen
op 't gebied dor oude letteren bekenden naam naar Leiden
kunnen zenden, Denemarken had afgevaardigd het beste
wat het had , en dit beste is tevens het uitstekendste wat
Europa in de Latijnsche philologie thans nog bezit, wij
bedoelen den ouden Madvig. Half Europa en geheel ons
vaderland heeft het Latijn uit zijn boeken geleerd; de
„groote Madvig", zoo als wij zijn werk noemden, verte-
genwoordigt voor velen onzer al heel wat hoofdbrekens,
al heel wat straf en leed der jeugd; en nu , dien goedigen ,
nog krachtigen grijsaard daar ziende oprijzen, geloofden
wij een droom te droomen ; wel wisten wij dat hij komen
zou; reeds had Pluygers in een feestgave de Leidsche leer-
lingen geluk gewenscht met zijn komst, en zelfbij die
gelegenheid eigen conjecturen ten beste gegeven, nu de
geniaalste held der text-critiek Leiden kwam bezoeken; de
Leidsche studenten hadden dan ook reeds gisteren een niet
eindigend gejuich aangeheven, toen zij in triomf Madvig
naar het huis van zijn gastheer brachten; en thans stond
hij werkelijk daar voor de tafel met zijn witte haren: hij
sprak niet, hij liet den rector zijner Universiteit Nelleman
het woord; hij boog alleen zeer diep voor den Leidschen
Senaat en bleef glimlachend een oogenblik staan. — Daar
naderden de Belgen ; zij werden aangevoerd door den bij
iederen jurist zoo hoog aangeschreven JSypels uit Luik,
den vriend van onzen Vreede. Hij en de mathematicus
de Cuyper uit Luik, de trouwe Heremans en Swarts uit