Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
90
doen , omdat hg' ons in het algemeen heeft geleerd wat men
op voetreizen van de menschelijke maatschappij kan zien,
mits men maar oogen heeft.
Stilte ! Daar komen de Franschen in hun geborduurde
rokken van 't Instituut; het groene palmenloof is sierlijk
op kraag en omslag aangebracht; de met witte vederen
voorziene steek wordt onder den arm gedragen. Het zijn
mannen van beteekenis. De oude Milne Edwards, de
groote zoöloog van Europa, wien morgen de Leidsche
Academie het eere-doctorschap zal aanbieden, doet in 't
Fransch het woord namens zijn regeering; de anderen,
ook de beroemde chemicus Wurtz en de oriëntalist Schéfer,
gaan nu stil voorbij. Doch Eenan moet toch spreken. Zijn
postuur is klein en onaanzienlijk; de stem mist in 't begin
eiken metalen klank. Luidt zijn Latijn zoo vreemd? Hij
heeft 't voorzien. In een allergeestigste Latijnsche toespraak
herinnert hij ons het verhaal uit Erasmus, waarin allerlei
personen ontreden, die, elk een anderen tongval sprekend,
elkander niet verstaan. Zoo gezellig staat hij een oogen-
blik daar te praten, alsof hij thuis was; hij haalt het in
perkament gebonden deeltje van Erasmus — onze roem —
uit zijn zak , om de aangehaalde woorden, ze voorlezend,
nog meer te accentueeren; dan spreekt hij met gevoel den
wensch uit, let wel (zooals hij zegt) op dit gezegend onzij-
dig Hollandsch territoir, dat de „discordia" der uitspraak
van de menschelijke zaken en belangen onder de volken
toch niet verhinderen mag en moet de „concordia' der
geesten, die bij 't streven naar de waarheid voor allen het
ideaal moet zijn.
De tijd verliep zoo snel. De Oostenrijkers spreken kort,
doch laten zich niet onbetuigd; wij zien met eenige ver-
bazing naar dat Hongaarsche militaire costuum, naar dien
dolman en die hooge stevels; met belangstelling kijkt me-
nigeen onzer naar den zoon van den edelen reeds gestorven
baron von Eötvös. — Daar komen de Russen; de profes-
soren uit Petersburg, die der chemie Mendeleeö', en die
der oude letteren Pomialofsky (beminnelijke jonge geleerde!)
naderen eenvoudig in 't zwart gekleed; in volle krijgsmans-
nniform, met den eigenaardigen JS'oorschen hoed, komen
de Einsehe professoren uit Helsingfors, en de reeds meer
bejaarde Lagus overhandigt met enkele woorden een La-
tijnsche verhandeling, waarin hij over de Finnen spreekt,
die met Holland in betrekking hebben gestaan en in ons
land hebben vertoefd; zijn uitspraak doet denken aan een