Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
87
plaatst, de Curatoren der Leidsche Academie, benevens
de Pro-Eector der Professoren ; terwijl aan beide kanten
naast en ter zijde van den schoorsteen opeengehoopt en in
hun zvarte toga's de hoogleeraren zaten, die thans denLeid-
schen rSenaat uitmaken. De afgevaardigden der binnen-en
buitenkndsche academies,' ook in hun toga (enkelen naar
den eisch hunner natie in schitterend gekleurden dos)
namen tegenover den schoorsteen in breeden halven kring
de zitplaatsen in. De President-Curator, Gevers van Ende-
geest, heette kortelijk in 't Latijn een ieder welkom, en
gaf nu het woord aan den Pro-Rector, om breeder den
heilgroet en den dank der Academie aan hen, die hier
waren verschenen, over te brengen. Die Pro-E-ector was
door een gelukkig toeval Matthijs de Vines. Gelukkige
omstandigheid: niet alleen omdat hij der letterkundige
faculteit behoort, die bij uitnemendheid de erfenis van
Leiden's roem draagt, maar vooral omdat hij een man is,
wiens naam vèr over de grenzen van ons land reikt, omdat
zijn hart zoo jong en zoo warm klopt, omdat zijn talent
zoo rijk, zoo opbouwend zich betoont, omdat zijn mond
zoo vurig en welsprekend het oude Latijn spreekt, dat het
is alsof zijn gedachten dan in een kleed van breed en zacht
zich plooiend glansrijk fluweel worden gedrapeerd. En de
Vries bleef niet beneden het gewicht van 't oogenblik.
Leiden ^rak door zijn mond de geleerdheid van Europa
toe, en Leiden bleef in dit uur de evenknie van het beste
uit Europa. Terwijl hij in zijn toga daar staande ons
opnam op den stroom zijner antieke woorden en gedachten ,
ging ieder op die golven gewillig mede. Hij bevestigde en wij
gaven toe; hij ontkende en wij mompelden „neen." Hij wenkte
en wij volgden. Het „Salvete omnes" klonk nog nauwelijks
van zijn lippen, of wij waren zijn vrijwillige gevangenen.
Schitterend was het oogenblik, toen hij, zich omkeerend,
met gebogen hoofd en naar beneden buigenden rechter-
arm , uit onzen naam het rustige en kalme Hoofd van Prins
Willem van Oranje den Zwijger begroette — pater patriae,
libertatis Batavae conditor, cujus imaginem, en, vultu
sereno Vos intuentem, et semper veneramur et hodie
praesertim maxima cum pietate salutamus — Gij zijt ons
— „De vader des vaderlands, de stichter van den vrijen
Nederlandschen staat, wiens beeltenis, u met ernstig gelaat aansta-
rend , wij altijd in eere houden en heden vooral met de hoogste ge-
negenheid begroeten." —