Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
86
Denemarken begroet ons met twee boogleeraren uit Ko-
penhagen , en zelfs Portugal heeft uit 't verre Coïmbra
twee professoren naar Leiden doen vertrekken. E-ome
eindelijk. wier afgevaardigden door 't gure weder zich
lieten afschrikken , heeft een ouden vriend uit Amsterdam
opgedragen hun plaats in te nemen. En al die afgevaar-
digden —■ 79 in getal — verdringen zich nu in het voor-
portaal der Leidsche Academie, om ten tien ure in de
Senaatskamer binnen te treden. Met haastigen stap schrijdt
ieder voorwaarts. Er is aandrang om naar boven te komen,
naar de zaal , die ieder klassiek gevormde in geheel Europa
bijna als een zaal zijner eigen voorvaderen beschouwt. Lang-
zamer en zachter wordt dan ook de tred, als de deur
wordt geopend. Stil treedt de stoet naar binnen , om plaats
te nemen op de voor haar bestemde zitplaatsen; zij zijn
op heiligen grond.
De zaal is niet meer dan een vrij ruime, eenigszins lang-
werpige Hollandsche kamer, in 't begin der 18e eeuw aldus
ingericht. Men treedt ze van de westzijde binnen; aan de
oostzijde wordt ze verlicht door twee hooge ramen; en
tegen het midden van den noorderwand is een fraaie schoor-
steen met wapens en namen van curatoren en burgemees-
ters geplaatst. Doch hetgeen met een enkelen tooverslag
dat oud-Hollandsch vertrek antieke wijding geeft, alle
evenredigheden verbreedt en verruimt, zoodat men als in een
galerij aan Eoem gewijd waant rond te staren , is de reeks
van portretten die van alle wanden hun doordringende
oogen op u richten. Daar schittert midden boven den
schoorsteen de beeltenis van Prins Willem van Oranje, den
stichter der Academie , en rondom aan alle zijden der zaal,
waar slechts eenige ruimte is , van boven naar beneden ,
van de linker- naar de rechterziide, vertoonen zich de
gelaatstrekken der helden der geleerdheid, der heroën,
die eens te Leiden leerden en aan Europa 't voorbeeld
gaven. Een wolk van getuigen, uit de hoogte tot u
nederdalende , omgeeft u plotseling, terwijl gij aarzelend
uw gedachten en voorstellingen tracht te ordenen. Voor-
geslachten rijzen op. Een onzichtbare orphische keten
verbindt u aan die mannen en laat u niet los. Men
gevoelt zich onder de macht eener geheimzinnige betoo-
vering.
Toen wij huiverend de zaal binnentraden, zaten achter
de groene tafel, die dwars voor den fichoorsteen was ge-