Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
84
nestralen gleden vroolijk langs de bruinroode huizen, langs
de glanzig groene deuren en vensterluiken. Wij traden
reeds vroegtijdig, ten negen uur, de gastvrije woning uit,
en daar buiten op straat klonk ons 't gelui der klokken
tegen, waartusschen schertsend en stoeiend 't carillon van
het stadhuis het lö vivat mengde. Een frissche wind deed
alle vlaggen wapperen. Daar was iets opwekkends in de
lucht. Er viel wel geen gedrang te mijden, maar men zag
toch de menschen zich reppen en spoeden en allen in het
beste humeur ter wereld. Zoo kwamen wij van zelf —
een eind de Breestraat volgend — op die deftige gracht
van' 't Eapenburg. Noemt mij niet ouderwetsch, omdat
ik 't kalme, 't huiselijk karakter van ons Hollandsch stads-
leven hier bij uitstek genoot. Ik was hier gekomen om
het driehonderdjarig feest der Leidsche Academie mede te
mogen vieren, en allereerst trof mij weder de omgeving
van 't geheel, die lijst waarin de academische schilderij zou
worden geplaatst. Men wandelt op dat Eapenburg zoo
rustig , zoo zonder eenigen bbast, alsof men in eigen tuin ,
in eigen hof een luchtje schept. Men kent de ronding en
glooiing van elke brug. Men weet wanneer de kleine
steenen van 't voetpad breeder of smaller ruimte beslaan.
Elk huis met zijn blanke spiegelruiten is tegelijk studie
en rustplaats voor onzen blik. Bewaart dat trapgeveltje
niet wellicht de heugenis van een oude liefde van weleer ?
De boomen zijn goede bekenden. Waarom de kraaien hier
en niet op gindschen tak zich nestelen, zou de voorbij-
ganger u kunnen zeggen. Want, let wel, dat Eapenburg
heeft niets grilligs, niets grootsch, niets pikants, maar
iets dat volkomen samenstemt met de dagelijksclie gewoon-
ten der bewoners van de huizen. Alles ademt er kalmte
en vrede. Het is een gracht, met opzet ingericht ten
dienste der geleerden. Wanneer de deur der studeerkamer
in elk dier huizen wordt geopend, en de bewoner zich
langzaam naar buiten op straat begeeft, dan zien zijn oogen
in de verste verte niet iets wat naar verrassing zweemt;
neen, alles is er zóó op aangelegd, dat de gedachtenloop
van 't brein , op de kamer begonnen , ongestoord buitena-
huis kan worden voortgezet; de hersens blijven spinnen en
weven aan denzelfden draad. — Zoo kalm is het in ge-
wone tijden. Doch heden is er vrij wat meer drukte op de
gracht. De deuren der huizen worden iets driftiger toe-
geslagen. Er is meer haast. Velen treden in feestgewaad ,
niet weinigen in toga en baret naar buiten op straat. Men