Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
ik in mijne eerste studie-jaren liet woord huisbezoek lieb
gehoord.
Tegen het einde evenwel van mijn' akademie-tijd hoorde
ik er onder oude studenten over spreken, als over een
lastig gebruik in onze kerk; en enkele jonge predikanten
van onze kennis klaagden over onaangenaamheden , daarop
hun bejegend. Maar al deze gesprekken waren te onbe-
stemd , om mij eenig licht in de zaak te geven.
Zoo werd ik predikant. Gul gezegd, wist ik nog vol-
strekt niet, wat ik eigenlijk bij deze gelegenheid spreken
moest. Daarbij kwam de onaangename herinnering uit de
dagen mijner kindsheid, zoo moeijelijk te vergeten. Kort-
om , ik stelde uit, zoo lang ik kon ; maar tegen mijn eerste
paaschfeest, waarop te gelijk het avondmaal gevierd zou
worden, moest ik öf ziek zijn of huisbezoek doen: er was
geen derde mogelijk.
Misschien zou ik het eerste gekozen hebben , en werkelijk
van angst ongesteld geworden zijn; maar gelukkig leefde
mijn vriend Meijerburg nog, en ik begaf mij met een be-
zwaard hart naar dien getrouwen raadsman.
,.Zeg eens, mijn beste vriend, hoe moet ik toch huisbe-
zoek doen
„"Wel, geheel op uw eigen manier, zoo als uw hart het
u ingeeft."
„Maar ik heb er nog geene manier op , en mijn hart
geeft mij volstrekt niets in , dan dat ik oneindig liever te
huis bleef."
„Xom aan dan. Gij gaal met uwen ouderling huis aan
huis, daar er bij u geene Eoomschgezinden zijn; gij vraagt
naar de bewoners: die lidmaten zijn , noodigt gij aan het
avondmaal, mits zij dat in eene waardige stemming wen-
schen te vieren. Yerder schikt gij u naar de omstandig-
heden. — Zie daar alles!"
„Alles? Dus heb ik dan alleen de zelfde boodschap van
huis tot huis rond te dragen, en van vijf tot vijf minuten
te herhalen?"
„Ja, en daarbij nog een weinig op uwe woorden toe te
zien , dat de achterdocht van onzen tijd er geen venijn uit
zuige. Bij onbekende of verdachte leden is eene algemeöne
formule best; zelfs kan het tusschen beide geen kwaad,
dat men u niet regt versta."
„IS^og erger. Het is dan niet alleen een doode vorm , ook
nog een huichelachtig vertoon!"
„Vriend lief! ik moet u waarschuwen voor een gebrek,
1*