Boekgegevens
Titel: De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Deel: 6e stuk Van C.E. van Koetsveld tot A.S.C. Wallis / verz. door J. ten Brink
Auteur: Kampen, Nicolaas Godfried van; Veegens, Daniel; Brink, Jan ten
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen & zoon, 1882
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1091 J 11 (6)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203664
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De bloemlezing uit Nederlandsche prozaschrijvers
Vorige scan Volgende scanScanned page
81
neveligen schoot! Omhulde uw donkerheid masr louter
schuldelooze vroolijkheid. Doch we weten het, helaas!
De kroegen vieren vanavond ook hoogtijd, de kroegen
en ... . Dat er dan ook niets in de wereld zijn kan of de
duivel profiteert er meteen bij I Maar dat iS nu nog geen
reden om te doen als buurman Zemelknoop, die zich voor
deze plechtige gelegenheid heeft voorzien van een onderlip
haast tweemaal zoo hoog opgetrokken als gewoonlijk. Wel,
ik wist niet, dat een mensch zóó diep zuchten kon over de
verbastering van ons geslacht, en vooral, dat iemand, die
zooveel op de zonden van anderen te zeggen weet, tegelijk
zoo onpleizierig kon ziin voor zijn huisgenooten. Ze zit-
ten immers allen als Jammeren om u heen, veilig onder
uw hoede voor het wolfsgebroed daar buiten , al uw zonen
en dochteren, ieder aan een nuttig handwerk of over een
leerzaam boek! Waarom hen dan nog onthaald op een
knorrige preek over de verkwisting en de ontucht en den
hoogmoed ? Zij kunnen het toch waarlijk niet helpen , als
er zijn die niet deugen willen ? Wissel uw naar vertoog op
zijn minst af met een paar boterletters of nu en dan een
kopje chocolade! Dat houdt de aandacht ook wèl zoo leven
dig, en anders ? Ja anders, buurman, praat ge mij niet
uit het hoofd, dat er bij ü ook wat aan schort. Ik zal
maar niet zeggen wat.
Wij zien hier nu meteen, het is toch niet geheel waar,
wat wij daar straks zeiden , dat Sinterklaas het iedereen
naar den zin kan maken. Er zijn ontevredenen , grooten
en misschien ook zelfn kleinen. Broertjes, die zusjes benij-
den en omgekeerd, en als er van avond engagementen
worden aangeknoopt, daar raken mogelijk ook verkeeringen
af. Doch het kan zijn, dat het ook hier geldt: „wee u
wanneer alle menschen wel van u spreken." Er is nu een-
maal koren en er is kaf, en dat merkt men het best, als
er in den hoop geblazen wordt; en Sinterklaas doet dat
ook op zijn manier. Goed, blaas maar toe, brave heilige !
Daar mogen gevonden worden , die uw ademtocht niet kun-
nen weerstaan, de meesten wil ik gelooven kunnen er toch
tegen. En indien het nooit ontbreekt aan zielen zóó
ijzig dat zelfs üw warme lippen ze niet vermogen te ont-
dooien , er zijn anderen dien het koud zou worden, koud
om het hart in de baren van den ramspoed, die tot over
hen heen wilden gaan, doch gij biedt hun de hand,
vriendelijke Sinterklaas; als een engel uit den hoogen heft
gij hen op uit de golven en brengt hen aan den zachtea
VI. 6